Van incident naar incident

Groot-Brittannië en Iran hebben moeizame relaties sinds de negentiende eeuw. De laatste jaren volgen incidenten elkaar snel op.

Een Britse ambassadeur of diplomaat in Teheran en een Iraanse ambassadeur of diplomaat in Londen kan er bijna op rekenen uitgewezen te worden. Al sinds de Iraanse revolutie van 1979 is het haast routine. Meestal met de onderbouwing dat „de activiteiten niet verenigbaar zijn met de status”.

De moeizame relatie dateert al uit de negentiende eeuw. Met een door een Brit geschreven verdrag werd Perzië in 1813 gedwongen gebied af te staan aan de Russen, wat in Iran nog altijd wordt gezien als een vernedering. De Britten tekenden bovendien in 1860 de grens tussen Perzië en India, hielpen in de jaren twintig van de vorige eeuw Reza Sjah op de troon, en bezetten in de Tweede Wereldoorlog samen met de Sovjet-Unie het land om te voorkomen dat er olie zou worden geleverd aan Duitsland.

Ook zouden Britse inlichtingendiensten een rol hebben gespeeld bij de coup in 1953 tegen premier Mohammed Mossadegh, die de Iraanse oliebedrijven wilde nationaliseren. Met Britse (en Amerikaanse) hulp kon Mohammed Reza Pahlavi, zoon van Reza Sjah, opnieuw de troon bestijgen. En toen zijn regime in 1979 omver werd geworpen, wezen velen opnieuw op Britse inmenging.

Niet voor niets zien de Iraniërs de Britten als samenzweerders. Dat beeld wordt onder meer bevestigd in het boek Oom Napoleon, waarin de hoofdpersoon overal Britse complotten ziet en de Brit omschrijft als „een sluwe vos”.

De meeste diplomatieke crises dateren uit de jaren tachtig – toen de Britten Iran beschuldigden van banden met de IRA, en Iran omgekeerd de Britten beschuldigde van spionage. Het wantrouwen liep dusdanig hoog op, dat in 1987 alle Britse diplomaten werden teruggehaald. Dat volgde op de gijzeling en mishandeling van de tweede man van de Britse ambassade, Edward Chaplin, wat weer een vergelding zou zijn voor de arrestatie wegens roekeloos rijgedrag van een Iraanse diplomaat in Manchester.

Toen het Britse ambassadepersoneel twee jaar later terugkeerde in Teheran, bleek dat slechts van korte duur. De verhouding bekoelde opnieuw toen de opperste Leider van Iran, ayatollah Khomeiny, de Britse schrijver Salman Rushdie ter dood veroordeelde wegens godslastering in zijn boek De Duivelsverzen. Dat de banden in 1991 werden aangehaald, was te danken aan de Iraanse opstelling in de Golfoorlog en de vrijlating van de als spion veroordeelde Britse zakenman Roger Cooper.

De incidenten bleven elkaar echter opvolgen, ook omdat het Verenigd Koninkrijk de mensenrechtensituatie in Iran blijft veroordelen, en stevige kritiek heeft op het Iraanse atoomprogramma.

Dat laatste was ook de reden dat vorige week de spanningen opnieuw opliepen. Het Verenigd Koninkrijk verbrak alle contacten met Iraanse banken in reactie op een rapport van het Internationaal Atoomenergie Agentschap. Het Iraanse parlement riep in het weekeinde op tot de uitzetting van de Britse ambassadeur, Dominick Chilcott, die pas enkele weken in Teheran is.

De demonstratie bij de ambassade kwam voor de Britse diplomaten gisteren dan ook niet onverwachts. „We waren voorbereid op problemen en hadden een aantal maatregelen genomen”, zei een anonieme diplomaat vanochtend in de Daily Telegraph. „Wat we niet hadden voorzien, was dat zo’n grote groep aanwezig zou zijn en zou binnenvallen zonder dat ze door de Iraanse veiligheidsdiensten werden tegengehouden.”