Inflatie als uitweg uit de eurocrisis

De prognoses die de OESO, de club van rijke industrielanden, maandag publiceerde liegen er niet om. De eurozone gaat met een gemiddelde economische groei van 0,2 procent een vrijwel zekere recessie tegemoet.

Dat zal het alleen maar lastiger maken om de crisis van de euro op te lossen. Zeker omdat Duitsland strikte begrotingsdiscipline eist van haar Europese partners, en dat in een nieuw verdrag wil vastleggen. Maar hoe ziet die discipline er dan straks uit?

Voor de hand ligt dat de aloude Maastricht-criteria als maatstaf zullen dienen: een maximaal begrotingstekort van 3 procent van het bruto binnenlands product (bbp) bij een staatsschuld van maximaal 60 procent van het bbp. Er is alleen één probleem: de criteria kloppen al lang niet meer. Een tekort van 3 procent bij een staatsschuld van 60 procent is alleen consistent bij een nominale economische groei van 5 procent. De nominale groei is gelijk aan de reële groei plus de inflatie.

De Europese Centrale Bank heeft de inflatie sinds de invoering van de euro dan wel keurig op 2 procent weten te houden, maar 3 procent reële economische groei is gemiddeld door de eurolanden bij lange na niet gehaald. Sterker nog: die groei was structureel al onhaalbaar in de jaren negentig. In wezen is het Europese publiek destijds met de Maastricht-criteria al voor het eerst opgelicht.

Bij een lagere nominale groei dan 5 procent en een begrotingstekort van 3 procent tendeert de staatsschuld naar een veel hoger niveau, zoals we straks zullen zien. De schuldencrisis zat in wezen al in de Maastricht-criteria ingebouwd, en zelfs die werden halfbakken nageleefd.

Het wordt erger. Want welke groei kunnen de eurolanden de komende tijd structureel tegemoet zien? Dat valt af te leiden uit de zogenoemde ‘potientiële’ economische groei. Daar ligt een ingewikkelde calculatie aan ten grondslag. Maar met een beetje rekenen is die af te leiden uit de OESO-cijfers. De organisatie geeft namelijk ook prognoses voor de zogenoemde output-gap. Dat is, in kort bestek, het verschil tussen de werkelijke omvang van het bbp en de omvang die het bbp had kunnen hebben.

Daar valt een schatting van het groeipotentieel uit te destilleren. Hoe die uitvalt? Schrik niet. De potentiële groei van de eurozone als geheel loopt terug van een toch al magere 1,6 procent vijf jaar geleden naar 1,2 procent. Er zijn belangrijke onderlinge verschillen. Duitsland en Frankrijk kunnen nog bogen op zo’n 1,5 procent potentiële groei, maar de Nederlandse potentiële groei die onder de OESO-prognoses schuil gaat wijst op slechts 1 procent en ligt dus al onder het groeicijfer van de eurozone. Italië moet uitgaan van hooguit 0,5 procent.

Dat doet het nodige met de Maastricht-criteria. Als de ECB zijn inflatiedoel van 2 procent handhaaft, dan moet de eurozone eigenlijk rekenen met een nominale groei van 3,2 procent (die 2 procent inflatie plus de 1,2 procent potentiële reële groei).

Om onder die omstandigheden de gemiddelde staatsschuld te stabiliseren richting 60 procent van het bbp, mag het begrotingstekort geen 3 procent zijn, maar nog slechts hooguit 1,9 procent. Of, andersom: als het begrotingstekort toch 3 procent mag zijn, dan tendeert de staatsschuld uiteindelijk naar boven de 90 procent – een inmiddels erkende gevarenzone.

Wat gaan we doen? 1,9 procent begrotingstekort als nieuw maximum? Er is een andere manier om te ontsnappen. Dat is door de inflatiedoelstelling te verhogen. Stel dat de ECB het doel ophoogt van de huidige 2 procent inflatie naar 3,8 procent inflatie. Bij een te verwachten reële economische groei van 1,2 procent geeft dat een nominale groei van 5 procent. En voilá: dan gelden de bestaande Maastricht-criteria weer.

Hogere inflatie holt bovendien de staatsschulden uit, en maakt onderlinge aanpassingen in concurrentievermogen binnen de eurozone beter te verkopen. Goed idee? Ze zien je aankomen, in Berlijn. Maar verleidelijk zal het best zijn.

Maarten Schinkel