Fragmenten uit La Guerre sans l’aimer

Over angst en twijfel

„Het gebeurt me dat ik bang ben, echt bang. Een vrees die niets te maken heeft met de angst die ik voelde in Brega, Ajdabiya of onder de bommen van Sarajevo. Nee. De andere vrees. Die van de geest. Foucault zei dat de echte moed niet de fysieke moed is, maar de moed van de geest. Het is hetzelfde voor de angst. De angst die je overvalt als je meeschrijft aan de Waarheid. De angst om je te vergissen, en dat je vergissingen worden betaald met het bloedvergieten van anderen (…) Maar ik zie mezelf niet als een meester van de wereld. (…) Ik geloof alleen dat ik, tot nu, de dingen gewoon iets helderder heb gezien dan de anderen. En ik voel me daardoor sterk en kwetsbaar tegelijk.”

Over het dragen van maatpakken

„Hoe vaak heb ik het al niet gelezen of gehoord: vanwaar toch die gewoonte om pakken te dragen in oorlogsgebied? En brandschone, witte hemden? Welja. Elementair respect. Waardering voor de ander of, exacter, voor zijn wereld die ik weiger te zien als een andere wereld dan de mijne en, nog minder, als een theater waarvoor je een ander kostuum moet aantrekken om binnen te komen. Voor mij geen mouwloze jas vol zakken. (…) Ik ben hier, in Benghazi, zoals ik ben in Parijs.”

Eerste telefoongesprek met Sarkozy

‘Ik ben in Benghazi, meneer de president.’

‘Ah’, zegt hij, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is dat ik hem vanuit Benghazi bel. ‘Hoe gaat het daar? Hoe gaat het met je?’

Hij is het die me tutoyeert. Dat verbaast me niet, dat deden we vroeger altijd. (…)

‘Ik heb je iets belangrijks te melden.’

‘Ja?’

Nog steeds dezelfde hoffelijkheid, maar nu met een vleugje ongeduld in zijn stem. (…)

‘Ik heb net iets ongelooflijks meegemaakt: de oprichting van de Commune van Benghazi.’ (...)

‘Ik bedoel de oppositie. Ik heb gezien hoe de burgeroppositie tegen Gaddafi tot stand is gekomen. En ik vond het buitengewoon belangrijk dat Frankrijk hier is als eerste land van op de hoogte is.’

‘Uiteraard.’

‘Mijn idee is om met een delegatie naar Parijs te komen.’

‘Goed.’

‘Maar ik heb een vraag; ik heb hen beloofd die vraag te stellen: ben je bereid om die delegatie persoonlijk te ontmoeten?’

In plaats van te schreeuwen ‘Wat een idee!’,(...) antwoordt de president van de Republiek, het blijkbaar normaal vindend dat hem net is gevraagd officieel een delegatie te ontvangen waarover we eigenlijk nog niets weten, op erg kalme toon: ‘Uiteraard.’”