Europa wil miljarden voor innovatie

Europa wil fors investeren in innovatie. Het beleid wijkt af van de Nederlandse aanpak om sectoren te stimuleren. „Innovatiebeleid moet zich richten op grote problemen.”

Naast alle ellendige verhalen over de eurocrisis, groeiende overheidsschulden, stijgende olieprijzen en een mislukkende klimaattop, klinkt er vanuit Brussel een opmerkelijk optimistisch geluid. Vandaag heeft de Europese Commissie voorgesteld het budget voor onderzoek en innovatie drastisch te verhogen.

Was er voor de periode 2007-2013 50 miljard euro te verdelen voor onderzoek en innovatie, het voorstel is om dat bedrag te verhogen naar 80 miljard euro voor de periode 2014-2020. Er moet vooral meer geld komen voor snelgroeiende, innovatieve high-tech bedrijven. Maar ook voor fundamenteel onderzoek is er meer beschikbaar. Verder moet het geld veel doelgerichter worden ingezet, voor een beperkt aantal grote maatschappelijke problemen. De Europese Commissie heeft zes van zulke grand challenges geselecteerd. Onder meer klimaatopwarming, veroudering, energieafhankelijkheid.

Op zijn kantoor in Brussel licht de Nederlander Robert-Jan Smits het voorstel toe. Hij is directeur-generaal onderzoek en innovatie bij de gelijknamige commissie. „Wij willen een signaal afgeven dat lidstaten ondanks alle economische problemen moeten blijven investeren in hun kenniseconomie.” Goed onderwijs, onderzoek en nieuwe high-tech bedrijven zijn cruciaal, zegt Smits. Het zijn de aanjagers van groei. „En alleen groei haalt ons uit de crisis.”

Met het ambitieuze voorstel wil de Europese Commissie het onderzoek in heel Europa op den duur op een hoger niveau brengen. Zodat het internationaal de concurrentiestrijd kan blijven aangaan. Ook moet het nieuwe programma voor meer innovatie bij bedrijven zorgen.

Zijn lidstaten als Griekenland, Polen, Bulgarije wel in staat een kenniseconomie op te bouwen die ooit kan concurreren met die van Zweden, Nederland, Zwitserland?

„Dat is een grote zorg. Er is in Europa op het gebied van onderzoek en innovatie een scheiding tussen noord en zuid, zoals je die ook ziet voor economische groei. Er zijn voorlopers: de Scandinavische landen, Duitsland, Nederland, Groot-Brittannië. En achterblijvers, zoals de nieuwe lidstaten Bulgarije en Roemenië. Ik zie de kloof tussen de twee groepen alleen maar groter worden. Dat is gevaarlijk. Niemand is er bij gebaat dat we een paar landen hebben die het fantastisch doen, en andere landen die bij wijze van spreken nog in de Middeleeuwen staan. We zullen alle lidstaten moeten meekrijgen. Het is een van de grote uitdagingen voor de komende decennia. Hoe houden we Europa bij elkaar?”

Maar Brussel beloont alleen het excellente onderzoek. Hoe kunnen achterblijvers zo hun achterstand inhalen?

„Dat is een lang en lastig debat geweest met de lidstaten. We willen inderdaad alleen het beste onderzoek, en de meest innovatieve bedrijven steunen. Die eis kwam afgelopen jaar onder druk te staan. Onder de EU-voorzitterschappen van Polen en Hongarije dreigde het gevaar dat zij een extra selectiecriterium wilden toevoegen, zodat de achterblijvers meer geld uit het innovatieprogramma konden krijgen. Dat hebben we gelukkig afgewend. Excellentie blijft het enige criterium. Om de achterblijvers mee te trekken hebben we voorgesteld geld uit de structuurfondsen te reserveren voor de opbouw van kenniseconomieën. Die fondsen zijn tot nu toe bedoeld om economisch zwakke regio’s te steunen bij de aanleg van bijvoorbeeld fietspaden, wegen, havens en spoorwegen. De fondsen zijn in totaal bijna 400 miljard euro groot voor de periode 2014-2020. Ons voorstel is eenderde daarvan te koppelen aan onderzoek en innovatie. Dat gedeelte gaat dan naar bijvoorbeeld de modernisering van universiteiten, het opstarten van lokale bedrijfjes of het trainen van personeel.”

Een van de kernpunten van het voorstel is het vereenvoudigen van regels en procedures. Het duurt gemiddeld een jaar voordat projectvoorstellen worden goed- of afgekeurd. Dat moet naar 100 dagen. „De bureaucratie is nu vreselijk”, zegt Smits. „Daar ga ik een eind aan maken.”

Er komt meer geld beschikbaar voor snelgroeiende high-tech bedrijven. Is dat nodig?

„Als Europa ergens een probleem heeft is het hier wel. We doen het niet eens zo heel veel slechter in vergelijking met Amerika als je kijkt naar het aantal startende innovatieve bedrijven en het aantal bedrijfjes dat vanuit universiteiten wordt opgericht. Maar er komt een moment dat deze bedrijven door een groeifase moeten waarin ze veel kapitaal nodig hebben. In Europa sneuvelen er veel in deze Valley of Death, omdat er een gebrek is aan risicokapitaal. In de VS is dat veel meer beschikbaar. Zo krijg je de nieuwe Googles en Yahoos.

„Dit soort gespecialiseerde bedrijven zijn hard nodig. Een land als Groot Brittanië is daar achter gekomen. Dat heeft jarenlang juist zwaar ingezet op de diensteneconomie en de maakindustrie afgebouwd. De crisis heeft ons geleerd dat de diensteneconomie zijn zwaktes heeft. Er is daarnaast productie nodig, hoogtechnologische industrie. Duitsland en Zwitserland zetten daar heel duidelijk op in. De Scandinavische landen ook. In Nederland zie je het in een regio als Brabant, overigens een modelregio voor Europa. Het zijn de landen met een sterke gebalanceerde economie die je nu het snelst uit de crisis ziet opkruipen.”

U wilt het geld ook gerichter gaan inzetten voor een beperkt aantal grote uitdagingen. Heeft u daarvan een voorbeeld?

„Van het totale budget van 80 miljard euro willen we de helft reserveren voor grote maatschappelijke vraagstukken. Neem de elektrische auto. Wat zijn daarvan de problemen? Botweg kun je zeggen dat de actieradius maar 150 kilometer is, de batterij weegt een ton, en het opladen duurt een eeuwigheid. Wij willen dat er in 2020 een lichte batterij is met een actieradius van 300 kilometer, die je in vier minuten kunt opladen. Hetzelfde zeggen we voor zonnepanelen. Die moeten qua kostprijs in 2020 concurrerend zijn met olie en gas.”

Is dat reëel?

„Het wordt een uitdaging voor onderzoekers en bedrijven. Maar de rest van de wereld staat niet stil.”

Hoe sluit het Brusselse programma aan op dat van Nederland?

„Het Nederlandse beleid zou beter afgestemd kunnen worden op dat van Brussel. Nederland heeft niet gekozen voor het formuleren van grote uitdagingen. Minister Verhagen heeft daarentegen tien topsectoren benoemd. Met name sectoren waar grote bedrijven zoals Philips, Unilever, Shell domineren. De zorg is dat je juist samenwerking wil tussen de verschillende disciplines. Ik praat hierover binnenkort met Den Haag. Wij richten ons niet op sectoren maar zoeken voor belangrijke maatschappelijke uitdagingen de juiste mensen bij elkaar. Chemici, materiaalkundigen, gerontologen. Steeds meer landen, zoals Spanje, Frankrijk en Duitsland, kiezen voor deze aanpak.”

Het uitbouwen van de kenniseconomie is cruciaal, zegt u. Maar het kabinet Rutte bezuinigt op kennis.

„Iedere lidstaat moet daarin zijn eigen keuzes maken. Duitsland geeft een extra injectie van 12 miljard euro aan zijn kenniseconomie. Dat betekent wel dat het land ergens anders op moet bezuinigen. De Duitse regering doet dat op sociale uitkeringen, op volksgezondheid.

„Aan de andere kant zorgt minister Verhagen er met zijn sectorbeleid wel voor dat bedrijven meer betrokken raken bij onderzoek. En er wordt ook meer geld gestoken in onderzoek en ontwikkeling. Dat is hard nodig in Nederland.”