Altijd gezellig in het bordeel

In bordeelfilms gaat het er vaak vrolijk aan toe. Komt dat doordat het standpunt van de prostituee bijna altijd onbesproken blijft?

scene uit de film l'Apollonide (2011)

Het bordeel is belangrijk in de filmgeschiedenis: vanaf het prille begin in de negentiende eeuw waren er in het bordeel gedraaide pornografische filmrollen. Maar ook het bordeel als plaats van handeling in speelfilms is altijd populair geweest – meestal in positieve zin, als een locatie waar intiem menselijk gedrag zich vrijer en duidelijker uit dan in het keurslijf van de rest van het maatschappelijk leven. En om zulk gedrag is het de cinema vaak te doen.

Dit positieve beeld heeft niet noodzakelijkerwijze betrekking op de individuele prostituee: in de vroege cinema wemelt het van gevallen vrouwen met wie het slecht afloopt. Hetzelfde lot treft de klant die de domheid begaat verliefd te worden op een prostituee, zoals in Josef von Sternbergs Der blaue Engel (1930).

Het is een dun koord waarop de klant van een prostituee zich beweegt: enerzijds moet hij – op straffe van ondergang – zich wachten voor authentieke genegenheid; anderzijds moet hij zichzelf – ter wille van zijn plezier – wijs maken dat zij een ‘normale’ vrouw is, en de seks echt – hoewel alles op het tegendeel wijst.

De filmindustrie, droommachine bij uitstek, is over het algemeen graag bereid om in die behoefte aan georganiseerde naïviteit te voorzien. Een sterk voorbeeld is het kassucces Pretty Woman (1986) van Garry Marshall, een luchtige komedie waarin Julia Roberts als prostituee en Richard Gere als klant hun contact moeiteloos omzetten in echte liefde.

Ofschoon iedereen wel beter weet, is het bordeel in de film veelal een plaats van onversneden pret. In Le plaisir (1952) van Max Ophüls vervult het zelfs een essentiële functie: alle mannelijke notabelen van het provincieplaatsje zien het als vrijplaats om te bekomen van de benauwenissen van burgerlijke en echtelijke leven. Als het bordeel een weekeinde dicht is, loopt het leven vast. Toch is dit geen naïeve film – de geniale filmmaker Ophüls wist hoe onder het mom van luchthartigheid harde psychologische noten te kraken. In dat weekeinde neemt de ‘mevrouw’ van het bordeel – bordelen in films worden meestal door vrouwen geleid – de ‘meisjes’ mee naar de Eerste Communie van haar nichtje op het platteland. Van de ontmoeting met de reine maagden op de Communieviering worden de prostituees zo sentimenteel, dat ze blij zijn weer naar hun werk terug te kunnen keren. Moraal: de prostituee verplaatst zich niet ongestraft naar de gewone wereld.

Luis Buñuel laat in Belle de jour (1967) een zeldzaam thema zien: voor een vrouw van goeden huize (gespeeld door Cathérine Deneuve) betekent het heimelijk werken in een bordeel een persoonlijke seksuele bevrijding. Opvallend is dat in de film in het midden wordt gelaten of het hier daadwerkelijk handelen, danwel een lustdroom van de vrouw betreft – een dubbelzinnigheid die ontbreekt in de roman van Joseph Kessel uit 1928 waarop de film is gebaseerd.

Het toppunt van naïviteit is rond 1980 bereikt in twee Amerikaanse publieksfilms, waarin het bordeel zonder enig voorbehoud wordt gepresenteerd als een oord van vrolijkheid en seksuele vrijheid, voor klanten en prostituees. Oppositie komt alleen van geborneerde, veelal christelijke kwezels, die bang zijn voor geneugten.

The best little whorehouse in Texas (1982) van Colin Higgins, met Dolly Parton en Burt Reynolds, is een musical. Ook hier vormt het bordeel een broodnodig oord van ontspanning voor de plaatselijke elite, totdat een plaatselijke tv-reporter er een onthullende reportage aan wijdt. Die reporter wordt voorgesteld als een aanstellerige nicht – lees: houdt niet van vrouwen. De prostituees vormen een opgewekt clubje lieve meisjes, die onder de titel ‘Nothing dirty going on’ een even sexy als onschuldig balletje opvoeren. Het lijkt niet overdreven gesteld dat Hollywood – nu de dromen over seksuele vrijheid uit de jaren zeventig definitief verbleekt lijken – een dergelijke productie niet meer in overweging zou nemen.

In nog sterker mate geldt dat voor Pretty baby (1978), een van de Amerikaanse films van de Franse regisseur Louis Malle. We bevinden ons in een wederom opmerkelijk gezellig bordeel in New Orleans rond 1900, dat onder druk van religieuze blauwkousen gesloten moet worden. Voor de hedendaagse kijker is vooral de kritiekloze benadering van pedofilie opmerkelijk. De dan 13-jarige actrice Brooke Shields speelt een 12-jarig meisje dat onder toezicht van haar moeder de klanten oraal bevredigt, totdat op een dag haar maagdelijkheid bij opbod wordt verkocht. Nergens in de film blijkt dat Malle daarin iets bijzonder schandelijks of schadelijks ziet.

Is het probleem van de Amerikaanse bordeelfilm misschien, dat hij bijna altijd door mannen gemaakt wordt, waardoor het standpunt van de prostituee onbesproken blijft? Lizzie Bordens ten onrechte een beetje vergeten film Working girls (1986) is in ieder geval van een heel andere orde. In een chique bordeel op Manhattan begrijpen we waarom prostituee zo’n zwaar beroep is: niet per se vanwege de seksuele handelingen, maar omdat elke mannelijke klant, hopend op de schijn van liefde, zijn diepste zielenroerselen meebrengt. De confrontatie met de diepere lagen van menselijk drift- en gevoelsleven is zelden aangenaam, en al helemaal niet in serie. En erg vermoeiend ook.

De Amerikaanse cinema lijkt het bordeel tegenwoordig liever te mijden. In Love ranch (2010) van Taylor Hackford speelt Helen Mirren prachtig een oudere bordeelhoudster die een affaire heeft met een jonge bokser. Maar het bordeel komt nauwelijks uit de verf.

Voor een alternatief moeten we naar Frankrijk, waar sinds een aantal jaren zowel in cinema als in geschiedschrijving sprake is van hernieuwde belangstelling voor luxe bordelen, de ‘maisons closes’, die net als de overige bordelen in 1946 bij wet werden verboden. L’Apollonide (2011) van Bertrand Bonello toont zo’n instelling rond 1900. Hier geen gratuite nostalgie over het goeie ouwe bordeel van vroeger: Bonello toont het als een plaats van genot en zwaar werk – gevaarlijk werk bovendien omdat de agressieve impulsen van sommige klanten het leven van de prostituee in gevaar brengen.

De subtiele film toont zo’n maison close ook als een door vrouwen geleide onderneming in een mannenwereld – half onderdrukkingsinstrument, half bastion. Zo wordt een prostituee die door een klant onherstelbaar wordt verminkt niet – zoals menige oudere collega – uit de luxe verbannen naar een afwerkplek in een goedkoop maison d’abattage, maar blijft zij in dienst als kamermeisje. Aan het eind laat Bonello dezelfde actrices ook nog even hedendaagse prostituees spelen: kleumende vrouwen in te korte rokjes langs een autoweg. Er is geen nostalgie voor nodig om te constateren dat het er in de betaalde liefde mettertijd niet beter op is geworden.

    • Raymond van den Boogaard