Zat er wellicht iets in de verf?

Dat ontdekten drie demografen van het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut.

Maar waar dat precies aan ligt, blijft nog een groot raadsel.

Kunstschilders in de Gouden Eeuw staken de handen uit de mouwen. Ze moesten wel: voor een behoorlijk inkomen moesten ze één à twee schilderijen per week maken.

Ze behoorden tot dezelfde ambachtsgilden als goud- en zilversmeden, glazeniers en huisschilders. Gemiddeld verdienden ze twee keer zoveel als een timmerman. Dat maakte hen redelijk welgesteld, maar ze behoorden zeker niet tot de elite die dagelijks copieus dineerde, in fraaie herenhuizen woonde, artsen kon ontbieden, baby’s kon laten zogen en emplooi gaf aan dienstmeisjes, knechten en koetsiers.

Toch moet er iets zijn geweest. In hun gave, in hun levensstijl, werkdrift of, wie weet, verf moet hun buitengewoon veel goed hebben gedaan. Want de schilders maar ook beeldhouwers, tekenaars en etsers van de Lage Landen leefden aanzienlijk langer dan de aristocratie, ontdekten drie demografen van het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI).

De afgelopen tien jaar is de levensverwachting van de gemiddelde Nederlander sterk gestegen, maakte het Centraal Bureau voor de Statistiek recent bekend. Die van vrouwen is nu ruim 82 jaar, die van mannen 78. Omdat Nederland net als andere Europese landen nauwgezet geboorte- en sterftecijfers registreert, is het een koud kunstje om dat te bepalen.

Veel moeilijker is het uit te spitten hoe oud mensen werden in de tijd dat zulke gegevens nog niet op schrift stonden, grofweg vóór de tweede helft van de negentiende eeuw. Voorzover dat is onderzocht, gaat het bijna altijd over hooggeplaatsten die hun sporen achterlieten in archieven: pausen, kardinalen, advocaten, adel. Over de levensduur van de gewone man is vrijwel niets bekend.

Demografen Frans van Poppel, Dirk van de Kaa en Govert Bijwaard kwamen op het idee een beroepsgroep te onderzoeken die historici tot de middenklasse rekenen: kunstenaars in de Lage Landen (het huidige Nederland en Vlaanderen). Over deze vooral in de Gouden Eeuw zeer productieve en succesvolle groep verzamelde het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie veel biografische informatie. De demografen konden beginnen met ruim 108.000 levensbeschrijvingen. Na die te hebben gefilterd op ontbrekende geboorte- en overlijdensdata, doublures et cetera hielden ze een ‘schone’ lijst over van 15.000 kunstenaars, geboren tussen 1500 en 1909.

Naast grootheden als Rembrandt, Rubens, Vermeer en Frans Hals bevat de lijst ook tal van minder bekende schilders, zoals Dirck van Baburen die in 1624, nog geen dertig jaar oud, aan de pest overleed. En Hendrick ten Brugghen, een leerling van Abraham Bloemaert. En trouwens ook nog vijf Bloemaerts, drie Rubensen, drie Vermeers en acht Halsen die niet de faam van hun naamgenoten verwierven.

Omdat baby- en kindersterfte niet werd geregistreerd, bekeken de demografen de levensverwachting vanaf het twintigste levensjaar. Twintigjarige kunstenaars geboren voor 1500 konden verwachten ongeveer 63 jaar te worden, berekenden ze. Vanaf het begin van de Gouden Eeuw daalt dat naar zo’n 55 jaar, waarschijnlijk door de vele pestepidemieën.

Eenzelfde dip in levensverwachting blijkt uit eerder onderzoek naar patriciërs in Leiden en Zierikzee. Voor de Zeeuwen duurt de dip het langst, maar die leefden in het algemeen korter, mogelijk doordat ze naast pest, pokken en cholera ook te lijden hadden van overstromingen, malaria en door verzilting vervuild water.

Na de zeventiende eeuw vertoont de levensverwachting van de kunstenaars echter een stijgende lijn. Na 1850 komt hij voor het eerst boven de 70 jaar uit. Om aan het begin van de twintigste eeuw te eindigen op 75 (mannen) en 79 (vrouwen) jaar. Vergeleken bij aristocratische groepen uit dezelfde periode steken de kunstenaars vaak gunstig af. Ze leefden even lang als de Engelse lagere adel en langer, soms wel tien jaar langer, dan andere groepen in de bovenlaag.

Dat is verrassend – tegenwoordig leidt een lagere sociaal-economische status meestal tot een vroegere dood. Dat dat in het verleden soms anders was is vaker beschreven. Mogelijke verklaringen zijn de ongezonde eetgewoonten van de toenmalige elite, hun gebrek aan beweging, hun alcohol- en tabaksgebruik.

Wat wellicht ook meespeelde was dat schilders en beeldhouwers zelden ten strijde trokken. En dat ze niet rijk genoeg waren om zich veel bedienend personeel te kunnen veroorloven, dat vaak ziektes overbracht op bazen.

Wat echter sterk in het nadeel van de kunstenaars zou moeten zijn, is dat ze veelal in de steden leefden, in de buurt van hun clientèle. De Lage Landen waren al vroeg behoorlijk verstedelijkt gebied. In 1477 was 36 procent van de Vlaamse bevolking stadsbewoner, in Holland 45 procent.

Wonen in de stad was niet bevorderlijk voor een lang leven. Steden trokken reizigers en migranten uit alle windstreken aan. Ze hadden open riolen en grote populaties ratten. Ziekten verspreidden zich razendsnel.

En toch overtreft de levensverwachting van de stadse kunstenaars die van de aristocratie op het veel meer beschutte platteland. „Dat trof ons erg”, zegt onderzoeker Frans van Poppel, ook bijzonder hoogleraar aan de Universiteit Utrecht. „Daar kijken wij ook met verbazing naar.”

Een verklaring hebben de demografen niet. Die zou gezocht kunnen worden in de aard van de onderzochte groep: uitsluitend kunstenaars die zo bekend geworden zijn dat werk van hen bewaard gebleven is. Vakbroeders die dat niet gegeven is, bijvoorbeeld omdat ze te vroeg overleden, staan niet op de lijst. Dat kan de gemiddelde leeftijd hoger doen lijken dan hij in werkelijkheid was.

Van Poppel gaat er echter vanuit dat dit effect het onderzoek nauwelijks beïnvloedde. „Natuurlijk zijn er kunstenaars van wie niets bewaard is gebleven. Maar we hebben heel veel kunstenaars onderzocht. Er zitten er een heleboel bij die zeker niet tot de top behoorden en die ook niet zoveel geproduceerd hebben.”

Misschien waren kunstenaars wel ongewoon vitaal. Een aanwijzing daarvoor biedt eerder onderzoek naar schilders en beeldhouwers uit de Italiaanse Renaissance, geboren tussen 1250 en 1550, ook wonend in steden. Hun rooskleurige levensverwachting kwam overeen met die van de hele bevolking van Engeland en Wales, stad én platteland, in 1891 – vier tot zes eeuwen later.