Vertrouwen in Duitsland

Beter een Europees Duitsland dan een Duits Europa. Dat was een van de uitgangspunten voor de Europese eenheid. Nu is geen land sterker verankerd in Europa dan Duitsland. En daar ligt ook de sleutel voor de redding van de Europese eenheidsgedachte. Dit ontzegt de Duitsers niet hun legitieme eigen belangen, niemand kan in redelijkheid van Berlijn een blanco cheque verlangen. Overvragen kan alleen maar nationalistische tendensen bevorderen, voorzichtigheid is geboden. Die is Angela Merkel, de moeder van de Europese porseleinkast, wel toevertrouwd. Tegenwoordig is Duitsland een bastion van de Europese solidariteit.

Tegelijkertijd is het in de ban van racistisch geweld. Want ook Duitsland kent – zij het in geringere mate dan andere landen – de opkomst van anti-Europese, nationalistische en rechts-extremistische stromingen. De ‘Nationaalsocialistische ondergrondse’ heeft seriemoorden op tien allochtone middenstanders en een politievrouw gepleegd. Volgens de Duitse pers is dit nog maar het topje van de ijsberg en zijn er mogelijk 140 racistische moorden gepleegd die door de veiligheidsdiensten niet als zodanig zijn onderkend. Maar er bestaat geen reden om te veronderstellen dat Duitsland niet in staat zou zijn deze uitwassen onder controle te krijgen. Juist omdát het in Europa met de geschiedenis in het reine is gekomen.

Het gevaar van extreem-rechts is onderschat door de veiligheidsdiensten. Toch toont de ontsteltenis over het debacle aan hoe ernstig de Duitse politiek en publieke opinie het gevaar van extreem-rechts nemen. Men spreekt van een ‘Duits 9/11’. Niet alleen hielden velen deze moorden voor ondenkbaar, het ondenkbare was het wegkijken, en daarmee het verbreken van de belofte waarop het moderne Duitsland is gegrondvest: nooit meer de ogen sluiten voor etnische haat.

De president van de Bondsraad, de Duitse Eerste Kamer, sprak na afloop van een minuut stilte ter herdenking van de slachtoffers over zijn „ontsteltenis dat na de gruwelen van de nationaal-socialistische heerschappij de schande van deze rechts-extreme terreur in Duitsland nog mogelijk is”.

Intussen is een brede discussie losgebarsten over de oorzaken en voedingsbodem van het racistische geweld. In Die Zeit schrijft auteur Maximilian Probst de aantrekkingskracht van het rechts-extremisme op jongeren toe aan de „postpolitieke” consensus in het midden, die geen ruimte laat voor alternatieven. Omdat het politieke midden zich voegt naar de dictatuur van de globale economie, presenteert het zich als „alternatiefloos”. Maar ik zie niet waarom jongeren – bijvoorbeeld uit de voormalige DDR – bij gebrek aan werk en toekomstperspectief geweld tegen buitenlanders gaan gebruiken. Of bedoelt Probst dat zij bij een soort Duitse PVV houvast hadden kunnen vinden en dan een alternatief voor moord hadden gehad? Eerder is het zo dat vreemdelingenhaat gedijt in de schaduw van populistische propaganda over wat „wezenlijk Duits” zou zijn. Het idee dat er echte en minder echte Duitsers zouden bestaan, is even verwerpelijk als het idee dat er meer of minder echte Nederlanders zouden bestaan. Het centraal stellen van een „immigrantenvraagstuk” heeft een (anti-Europese) „nationale mythe” nieuw leven ingeblazen.

Misschien is de crisis in Europa een goed moment om terug te keren naar de grondgedachte van de voorlopers van de Europese Unie, mensen als de Fransman Jean Monnet en de Nederlander Max Kohnstam. De Europese dagboeken die Kohnstamm (1914-2010) heeft bijgehouden (het tweede deel is zojuist verschenen, onder de titel Diep Spel) geven een beeld van de drijfveren en worstelingen van de grondleggers van de Europese integratie. Zij stommelden van crisis naar crisis. Volgens Kohnstamm was Europese eenheid de enige concrete weg om ‘dat nooit meer’ (nooit meer oorlog in Europa!) tot werkelijkheid te maken en met het verleden in het reine te komen en te blijven. Maar hij had ook zijn twijfels. Was het geen valse historische analogie, die de zo onmetelijk veel krachtiger constante van het geweld in de wereldgeschiedenis verdoezelde ten bate van egocentrische gemoedsrust? De ongebroken vitaliteit van de nationale belangenpolitiek stond op gespannen voet met de essentie van het integratieproces. Hoe bedreigend was dat?

De bezorger van Kohnstamms dagboek, Mathieu Segers, wijst op de verbluffende overeenkomsten in Kohnstamms verslag over 1957-1963 met de actuele toestand in de Europese integratie. „Zo werkte hij mee aan gedetailleerde plannen voor een Europees monetair beleid en een toekomstige gemeenschappelijke munt – inclusief een noodfonds voor het opvangen van financiële crises – [...] en pijnigde hij zijn hersenen in het vergeefse zoeken naar een oplossing voor het probleem van de hebzucht als hoofdzonde van onze tijd.”

Een probleem dat de grondleggers van de Europese Unie niet hebben voorzien, was het herlevend nationalisme, dat is gevoed door haat en verachting voor immigranten uit niet-westerse culturen. Evenals geweld tussen staten zijn etnische haat, godsdienstig fanatisme en nationale eigenwaan ‘constanten in de wereldgeschiedenis’, die op gespannen voet staan met de Europese waarden.

De lotsverbondenheid die in de Europese Unie de plaats van de vroegere volkerenhaat heeft ingenomen, bewees dat oorlogsgeweld geen constante hoeft te zijn; waarom zouden wij dan moeten accepteren dat haat jegens bevolkingsgroepen een natuurwet is?