Toch kou gevat?

Net als de meeste mensen word ik af en toe verkouden. Ik zal niemand daarmee verder lastigvallen, als columnist moeten je kwalen op dit gebied van betere huize zijn wil je er nog enige indruk mee maken. Met verwante aandoeningen als hooikoorts en griep hoef je ook al niet meer aan te komen, tuberculose vindt men ouderwets en longemfyseem – zeer ten onrechte – meer iets voor mijnwerkers.

Toch moet me over die verkoudheid nog iets van het hart, nu ik weer eens sniffend en snuitend mijn omgeving onveilig maak. Mij valt op dat er zelfs over zo’n ogenschijnlijk simpele ziekte onduidelijkheid blijft bestaan. Hoe denken we ooit de kanker onder de knie te krijgen als we niet eens precies weten wat de oorzaken van verkoudheid zijn? Is het een wonder dat verkoudheid nog steeds als onbestrijdbaar geldt?

Ik kom erop door een artikel onder de kop ‘Word je verkouden door tocht?’ uit de Volkskrant van 19 september. Daarin worden enkele volkswijsheden over verkoudheid gedebiteerd: ’s winters niet met natte haren de deur uitlopen, niet binnen je jas aanhouden want dan heb je er buiten niets aan, kortom, afkoeling en tocht zoveel mogelijk mijden.

Iedereen die vóór de jaren zeventig een moeder heeft gehad, kan haar primaire gezondheidsadvies dromen: ‘Zorg dat je geen kou vat.’ Ze waarschuwde je eerder voor een gure wind dan voor een gemene syfilis; en als je die syfilis opliep, kwam het volgens haar toch vooral doordat je je broek had uitgedaan terwijl je op de tocht stond.

Geheel conform dergelijk advies heb ik me als jongen tegen de kou gewapend met dikke truien en dito sjaals. Niettemin werd ik elk jaar onverstoorbaar een, twee, soms drie keer snotverkouden. Mijn moeder vermoedde dat ik hiertoe was ‘aangestoken’ door besmette individuen met te weinig verantwoordelijkheidsbesef: als zij thuis waren gebleven, was mij niets gebeurd.

Kortom, zij vertrouwde op twee scenario’s: 1. De kou. 2. De ander.

De medische wetenschap liet in de loop van de jaren het eerste scenario vallen. Het was, inderdaad, een volkswijsheid, een mythe. Een mens werd niet verkouden van een dun bloesje in de barre winter of van de tocht in een slecht verwarmd huis. Een mens werd verkouden van een virus dat, direct of indirect, door een ander mens op hem werd overgedragen.

Prachtig! Dat was geregeld.

Ik kreeg dan ook een stevige schok toen ik in vermeld Volkskrantstukje las dat tocht of afkoeling het risico op een infectie wél kunnen vergroten. Hoogleraar virologie Ab Osterhaus: „Het kan zijn dat de slijmvliezen in neus en keel daardoor gevoeliger worden voor een infectie.” Een zoektocht in de medische databank PubMed gaf daarvoor aanwijzingen. Ingeademde koude lucht zou de verdedigingslinie in de bovenste luchtwegen verzwakken. Ook bacteriën in de neus zouden in een koude omgeving minder tegenstand ondervinden en, samen met een verkoudheidsvirus, de slijmvliezen sterker kunnen aantasten.

Volgens Osterhaus is geen van de theorieën afdoende onderzocht (waarom eigenlijk niet?) maar zijn ze zeker niet onzinnig. „Het zijn weliswaar grotendeels volkswijsheden, maar ik zou ze niet per definitie als fabeltje betichten.”

Conclusie van het artikel: „Kou vatten kan misschien toch een beetje van de kou komen.”

Tijd dus voor een royale rehabilitatie van mijn moeder als verkoudheidsdeskundige – een van de grootste, durf ik te zeggen, die Nederland ooit gehad heeft.