Snorremans

Jules Deelder had ineens een Hitlersnorretje. Ik kwam tegelijk met hem door de voordeur van het literaire festival en het eerste dat ik deed was aan de paar mensen die ik kende vragen of zij het ook zagen, de Hitlersnor. Misschien verkeerd geschoren, opperde iemand. Het was zo’n schimmig dun snorretje dat het van opzij leek alsof het gezichtsbedrog was, een slagschaduw van zijn neus, misschien niet eens breder dan zijn wijsvinger – dunner dan die van Hitler, die op z’n minst een postzegel had.

Ik was pas ver na etenstijd aangekomen in Nijmegen en aangezien ik alleen de Waal en het Kronenburg Park als oriëntatiepunten wist, was ik nogal omgelopen naar de schouwburg. Rare stad, whatsappte ik het enige meisje uit Nijmegen dat ik kende. Ik whatsappte: „Ik zou de weg wel willen vragen, maar ‘iedereen is de weg kwijt’.”

Dat was m’n Frank Boeijen Kronenburg park-grapje, waar ik de hele treinreis op had zitten broeden.

ROFLMAO, Joost.

Nadat ik had voorgelezen zag ik Deelder weer, in de centrale hal. Hij rookte een jointje en draaide hippe grammofoonplaten en mensen hadden het er opgewonden over dat hij een jointje rookte en hippe grammofoonplaten draaide. Een dichteres zei tegen me dat ze eens goed had gekeken en dacht dat hij zijn haar niet verfde. Als je goed kijkt, kon je namelijk lange, grijze haren tussen het donkere haar zien zitten. Sommige mensen worden gewoon niet grijs, zei ze. Iemand anders zei: „Jimi Hendrix heeft gewoon ooit een nacht bij hem gelogeerd weetje.”

En ik dacht: dit is ook de man die reclame maakt voor wasmiddel.

Het heeft ermee te maken, denk ik, dat je als schrijver toch de mythe hoog moet houden (Harry Mulisch, Voer voor psychologen: „Het beste is, het raadsel te vergroten.”) Daar komen de festivalbezoekers ook voor: niet alleen voor de fictie van het boek zelf, maar ook voor ook de fictie van het schrijverschap.

Misschien moest ik ook maar eens een Robert Mugabe-snor laten staan.

Bij het weggaan spoot een machine een ondoorzichtig dikke rook over het pad naar de fietsen. De discolampen gaven het een roze gloed – alsof je in een Kanye West clip was beland. Voor me liep een mevrouw, halverwege de vijftig, in het type lange jas dat alleen door je moeder wordt gedragen. Midden in de roze rook waande ze zich onbespied en gooide ze haar hoofd in haar nek en strekte ze langzaam en theatraal haar armen zo ver als ze kon uit elkaar. Iets had haar opgetild.

Joost de Vries