Magiër van de Nederlandse letteren

De met de Constantijn Huygens-prijs bekroonde A.F.Th. van der Heijden schrijft in veel van zijn werk over de hoogmoed van de kunstenaar.

A.( Adri) F.Th.van der Heijden (1951),auteur met de bronzen beeldengroep de Pachter en de Rentmeester op het landgoed van Chateau St Gerlach. foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Valkenburg, 28 juni 2007 ©Vincent Mentzel 2007

Als de toekenning aan A.F.Th. van der Heijden van de Constantijn Huygens-prijs 2011 voor zijn hele oeuvre voor iemand een verrassing is, dan moet het zijn uit verbazing dat Nederlands grootste levende schrijver deze op één na belangrijkste literaire prijs niet al vele jaren geleden in ontvangst heeft mogen nemen. De Constantijn Huygensprijs wordt beschouwd als het opstapje naar de hoogste Nederlandse literaire onderscheiding, de P.C Hooftprijs, die hij als schrijver van zo’n uitgebreid en gevarieerd oeuvre natuurlijk ook al lang had moeten hebben.

Maar late erkenning van zijn meesterschap - A.F.Th. van der Heijden heeft inmiddels tegen de dertig titels op zijn naam - schijnt nu eenmaal het lot te zijn van deze magiër van de Nederlandse letteren. In zijn ongeëvenaarde autobiografie, het dagboek Engelenplaque, dat als 250ste deel van de serie ‘Privé-domein’ in 2003 bij De Arbeiderspers verscheen, valt te lezen dat het manuscript van zijn eerste roman Bejaardenhuis op het Dak van de Wereld in 1973 door uitgever Thomas Rap werd geweigerd. De reactie van de toen 21-jarige Van der Heijden: ‘Mijn dag is kapot. Mijn dag? Mijn week, mijn leven.’

Dat viel mee, zoals bleek toen hij na reizen door Italië eind jaren zeventig onder de naam Patrizio Canaponi twee boeken uitbracht bij Querido (Een gondel in de Herengracht en De draaideur). Hij was verhuisd van Nijmegen naar Amsterdam, ontmoette daar zijn grote liefde Mirjam Rotenstreich en deed zijn intrede in de literaire wereld. Zijn romancyclus De tandeloze tijd met als hoogtepunt Advocaat van de Hanen (1990) werd een daverend succes, evenals ander werk zoals zijn requiemroman Asbestemming en de tot nu toe verschenen delen van de ambitieuze megaromancyclus Homo Duplex .

In 2007 kreeg de in 1951 in Geldrop geboren Van der Heijden de AKO-literatuurprijs voor Het schervengericht, het deel van Homo Duplex waarin hij de moordpartij reconstrueert die de sekte van Charles Manson in 1969 aanrichtte in Los Angeles, met als beroemdste slachtoffer filmactrice Sharon Tate. In deze mengeling van documentaire en adembenemend spannende fictie behandelt Van der Heijden het aloude drama van revoluties die hun eigen kinderen opeten en van al te ambitieuze stervelingen die voor hun hoogmoed worden gestraft. De hybris van de kunstenaar die tegen de klippen op naar het allerhoogste blijft reiken is een hoofdthema in al Van der Heijdens werk .

Al in zijn vroege dagboeken, zo blijkt uit Engelenplaque, stelde hij zich ten doel ‘het onmogelijke boek’ te schrijven, een opgave die expliciet terugkeert in de roman De Movo Tapes (2003), en die hij eerder behandelde in Het onmogelijke boek: een kleine monoloog van de auteur (1999).

Tragisch genoeg heeft Adri van der Heijden dat onmogelijke, menselijkerwijs niet te schrijven boek, nu ook daadwerkelijk moeten schrijven: Tonio, het boek waarin, hakkend in eigen vlees en verdoofd door diepe rouw, het verloren kind en de verloren tijd moesten worden teruggewonnen. Deze binnen een jaar voltooide ontstellende roman over de dood van zijn op 21-jarige leeftijd verongelukte zoon is zo een sleutelwerk in het zich op magische wijze vormende levenswerk van A.F.Th. van der Heijden geworden.

Er kleeft misschien één voordeel aan het veel te laat ontvangen van deze belangrijke oeuvreprijs en dat is dat daarmee ook Tonio, „het onmogelijk te schrijven boek”, de bekroning krijgt die het toekomt.