De mens ving 42.000 jaar geleden al tonijn op zee

In een grot op Oost-Timor zijn 42.000 jaar oude visbotten gevonden, samen met primitieve vishaken gemaakt van schelpen.

De vondst van 42.000 jaar oude visbotten in een grot op Oost-Timor bewijst dat de vroege bewoners van Australië en de nabijgelegen archipel van Zuidoost-Azië zich al bezighielden met het vissen op zee. De botjes zijn afkomstig van tonijnen en haaien.

Dit schrijft de archeologe Susan O’Connor (Australian National University) met andere onderzoekers in de online-editie van het tijdschrift Science. „De visbotten zijn zeker door toedoen van mensen in de grot terechtgekomen”, zegt O’Connor in een telefonische toelichting. „Want bij de botten lagen ook stenen werktuigen van 42.000 jaar oud, botten van schildpadden en restanten van vuur.” De ondiepe grot bevindt zich bovendien in een zeer steile helling, ver boven de zeespiegel. „De zee heeft de grot nooit kunnen bereiken”, concludeert O’Connor.

In de evolutie van de moderne mens geldt het vangen van vis, dat veel vaardigheid en techniek vereist, als een belangrijke stap na het bejagen van wild en het verzamelen van voedsel. Het vissen op zee is een forse stap verder en paleontologen en archeologen gaan er al langer vanuit dat die ongeveer 45.000 tot 50.000 jaar geleden is gezet. De vondst in de Jerimalai-grot op Oost-Timor, een eiland ten noorden van Australië, bevestigt nu dit vermoeden.

Het is onduidelijk of de tonijnen en haaien zijn gevangen met een net of een vislijn. Omdat de gevonden vissen tamelijk jong en klein waren, vinden de onderzoekers het aannemelijk dat de vissen zijn gevangen met een net dat werd uitgeworpen in een boot. Het gebeurde niet met de gevonden vishaken, want die zijn veel jonger: 11.000 tot 23.000 jaar oud. Daarmee zijn deze vishaken, die duiden op vissen met een lijn, wel de oudste die tot op heden zijn gevonden. De vondst maakt ook aannemelijk dat de vroege bewoners bekwame zeelieden waren. (NRC)