De democratie als een wiebelig IKEA-meubel

Het is een illusie te denken dat je democratie tot verkiezingen kan herleiden.

In Congo, én in het Westen, moeten we op zoek naar nieuwe vormen van inspraak.

Op acht uur vliegen van Nederland vonden gisteren historische verkiezingen plaats in een land dat mij nogal dierbaar is. Dat land is Congo en de verkiezingen noem ik historisch omdat ze slechts de tweede democratische stembusgang in bijna een halve eeuw tijd waren. Of hadden moeten zijn.

Dat ik mij gisteren toch liet tooien met het donkere velours van het academische ambt (de Cleveringa-leerstoel in Leiden) in plaats van mij te hullen in het katoenen hemd van de verkiezingswaarnemer, was omwille van dat ‘hadden moeten zijn’. Die formule gaat immers naar het hart van een vraag waarmee ik al enkele jaren worstel. Die vraag luidt: in hoeverre brengen verkiezingen de democratie dichterbij, in Congo, maar ook daarbuiten?

Op zich lijkt dat een merkwaardige vraag. Zonder verkiezingen toch geen democratie? De stembusgang is toch zowat de essentie van het ideaal van zelfbestuur? Ja en nee.

Laat ons met het antwoord op die schijnbaar retorische vragen even wachten en eerst de blik naar Congo richten. Het land mocht gisteren voor de tweede keer op rij zijn hoogdag van de democratie vieren. Maar dat was het niet. Ten eerste, vanwege de logistiek. Om in een land als Congo – er is geen wegennet, niemand weet hoeveel inwoners er zijn – om in zo’n land min of meer fatsoenlijke verkiezingen te houden heb je een organisatorische slagkracht nodig die ronduit duizelingwekkend is.

Een tweede reden betreft het politieke klimaat. Er zijn tientallen en tientallen voorbeelden van geweld en intimidatie, waarbij zelfs de Congolese politie en veiligheidsdiensten zich niet onbetuigd lieten. „Soms heb ik de indruk dat iemand een bidon benzine over deze stad heeft uitgekapt”, zei mijn boezemvriend Papy Mbwiti nog deze week in De Morgen, „en dat er enkel nog maar een lucifer nodig is om de boel in de fik te zetten.”

Een derde reden waarom gisteren geen onversneden hoogdag voor de democratie in Congo was, is dat de overwinning van president Kabila bij voorbaat vast stond. De president bracht in januari het aantal stemrondes terug naar één, waarmee hij zichzelf een immense voorsprong toebedeelde op de verdeelde oppositie.

Hoe kwamen we hier terecht? Daarvoor moeten we terug naar eind 2002, op het eind van de oorlog. De internationale gemeenschap slaagde er toen in om samen met de strijdende partijen een vredesakkoord op te stellen, dat voorzag in de creatie van een overgangsregering. Die regering was belast met het uitschrijven van vrije en democratische verkiezingen, en wel voor het einde van 2006.

Wat nu, bijna tien jaar later, opvalt is de haast waarmee die verkiezingen noodzakelijk werden geacht. Ja, ze waren een succes: een president en een parlement werden verkozen. Maar de lokale verkiezingen, die nochtans ook op die dag hadden moeten doorgaan, bleven achterwege. De internationale gemeenschap had daarop gehamerd, maar kennelijk niet hard genoeg.

Ook elders – in Irak, Afghanistan, Oost-Timor of Burundi – moest het zo snel gaan. Vredesakkoord, overgangsregering, nieuwe grondwet, volkstelling, verkiezingen. Als je regels x, y en z toepast, zeggen westerse donoren vandaag, krijg je vanzelf democratie – en van ons geld. Welke zijn die regels om de democratie te doen ontkiemen? Ze zijn vaak onthutsend eenvoudig en vormelijk. Er moeten ‘vrije en eerlijke verkiezingen’ komen, zo klinkt het mantra. Er moeten meerdere partijen aan deelnemen. Er moet gelegenheid zijn tot campagne voeren. Er moet persvrijheid heersen. De oppositie moet een kans krijgen. Er moet afwisseling van de macht mogelijk zijn. Er moeten stembrieven, stemhokjes en stembussen zijn, stemmatten desnoods. De stemming moet geheim verlopen. De telling moet correct verlopen. Enfin, helemaal zoals bij ons dus, maar dan daar. Dan krijg je geld.

Zou die opgelegde democratisering een laatste vorm van kolonialisme kunnen zijn, een vorm van electorale evangelisering waarbij meer belang wordt gehecht aan de vorm van het ritueel dan aan de inhoud?

Als je de aanbevelingen van westerse donoren ziet, dan lijkt het alsof de democratie een soort exportproduct is: af, kant-en-klaar, handig verpakt, gereed voor verzending. De democratie als een IKEA-bouwpakket, ter plaatse ineen te knutselen door de ontvanger, al dan niet met behulp van de bijgesloten gebruiksaanwijzing. En als het meubeltje uiteindelijk scheef staat? Of niet comfortabel zit? Of uiteenvalt? Dan is dat de schuld van de consument ter plekke, niet van de producent veraf.

De internationale gemeenschap exporteert readymade meubeltjes naar Afrika, zelfs wanneer er goede en oorspronkelijke meubelmakers ter plekke zijn. Daarbij kan je zowel denken aan traditionele vormen van conflictbemiddeling, als aan de rol van het dorpsoverleg in het pas onafhankelijke Tanzania van president Julius Nyerere, als aan het veel recentere voorstel tot partijloze politiek van de Ghanese filosoof Kwasi Wiredu.

De democratie globaliseert. India is ooit na de Tweede Wereldoorlog begonnen als een democratie naar Brits model, vandaag is het met meer dan één miljard inwoners de grootste democratie ter wereld en fungeert het als het grootste laboratorium voor democratische vernieuwing waar geëxperimenteerd wordt met vormen van lokaal zelfbestuur, quota’s voor de vertegenwoordiging van minderheden, participatieve burgerinspraak in het begrotingsoverleg, enzovoort. Het Westen heeft, kortom, niet langer een patent op democratische innovatie.

Bovendien, wie zijn wij om anderen de les te lezen? Wie zijn wij om te beweren dat wij de waarheid in pacht hebben? Wie zijn wij nog als het op democratie aankomt? Wie zijn wij nog?

Moderne verkiezingen werden op het eind van de achttiende eeuw bedacht en verfijnd om het besturen van een land mogelijk te maken. Maar door processen van hypermediatisering lijken diezelfde verkiezingen vandaag soms weleens obstakels tot het rustig besturen van een land. Zoals in de Verenigde Staten, waar de welvaart van het land, en zelfs van de wereld, op de helling staat door het pre-electorale gekissebis tussen Republikeinen en Democraten.

De democratie in het Westen verkeert in ademnood. In Griekenland en Italië, historische leden van de Europese Unie die doorgaans als de bakermat van de klassieke democratie gelden, werden deze maand binnen dezelfde week premiers aangesteld die niet verkozen waren. En bovendien: tot opluchting van velen. Het is te hallucinant voor woorden. Maar elders vinden we verkiezingen wel nog van groot belang.

Het afgelopen jaar ben ik intensief betrokken geweest bij de G1000, een grootschalig burgerinitiatief in België waarin honderden burgers oplossingen aandragen voor sociale en politieke vraagstukken. Dit soort vormen van participatieve en deliberatieve democratie zijn veelbelovend om zuurstof te geven aan een in ademnood geraakte representatieve democratie. De crisis van de democratie lossen we niet enkel op door het woord aan de techneuten te geven, maar ook door de burger een nieuwe stem te verlenen.

In hoeverre brengen verkiezingen de democratie dichterbij, in Congo, maar ook daarbuiten? Verkiezingen blijven voor mij de belangrijkste vorm van burgerinspraak in een moderne democratie, maar het is een illusie te denken dat elke periode van transitie er per se volledig mee moet beginnen en het is een illusie te denken dat je democratie tot de stembusgang kan herleiden. Verkiezingen, kortom, lijken mij noodzakelijk, maar niet voldoende, zowel in Afrika als in Europa. Want in de historische tijden die we nu beleven zit elke democratie, zelfs de meest geconsolideerde, in een periode van transitie.

David van Reybrouck won vorig jaar de AKO Literatuurprijs met ‘Congo’, een geschiedwerk over de voormalige Belgische kolonie. Dit artikel is een bekorte versie van de Cleveringa-lezing 2011 die Van Reybrouck gisteren uitsprak bij de aanvaarding van de Cleveringa-leerstoel aan de Universiteit Leiden.