'Buiten de grens staan we samen veel sterker'

Onder de noemer ‘Dutch Masters Foundation’ werven Nederlands Dans Theater, het Mauritshuis en het Concertgebouworkest samen sponsors in Groot-Brittannië. „Wij bieden ze iets unieks.”

Twee jonge Nederlandse dansers. In nabijheid van de schilderijen van Rembrandt en Gerard Dou dansen zij hun pas de deux in een van de zalen van de Dulwich Picture Gallery, in zuid-Londen. De setting is zo intiem dat de toeschouwers hen zouden kunnen aanraken. Net als de Hollandse meesters zelf, of even later de twee musici die in de hal een duo voor twee celli uitvoeren.

De avond Nederlandse kunst van wereldniveau is een initiatief van het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO), het Koninklijk Kabinet van Schilderijen Mauritshuis en het Nederlands Dans Theater (NDT). Onder de noemer ‘Dutch Masters Foundation’ proberen zij sinds een jaar in het Verenigd Koninkrijk donateurs te werven. Gisteravond werden de eerste 25 schenkers in bijzijn van prins Friso en prinses Mabel bedankt met een voorstelling.

De samenwerking van de drie kunstinstellingen is uniek voor Nederland, zeggen alle betrokkenen. Zo ver ze kunnen nagaan is het de eerste keer dat instellingen uit verschillende disciplines op deze manier samenwerken om in het buitenland donateurs te werven.

Het past in deze tijd. Nu er bezuinigd moet worden, moeten er andere geldbronnen worden gevonden, zeker voor nieuwe projecten. En niet alleen daarom. „Cultuurinstellingen moeten ook ondernemers zijn”, zegt Emilie Gordenker, directeur van het Mauritshuis. „Je moet op drie benen kunnen staan”, zegt Robert van Leer, zakelijk directeur van het Nederlands Dans Theater: „Die van het overheidsgeld, donaties van privépersonen, en steun van bedrijven.”

Het Verenigd Koninkrijk was voor alle drie een natuurlijke stap, zegt Jan Raes, directeur van het Koninklijk Concertgebouworkest. Het Nederlands Dans Theater treedt regelmatig op in het beroemde Sadler’s Wells-theater, het Concertgebouworkest is vanaf volgend jaar ‘orchestra in residence’ in de Barbican, en het Mauritshuis onderhoudt nauwe banden met Londense collega’s.

Dus toen de drie – afzonderlijk – bij Pim Waldeck, de Nederlandse ambassadeur in Londen, aanklopten met een verzoek om hulp, „suggereerde die dat we eens met elkaar moesten gaan praten”, vertelt Wouter Steijn, directeur van de Stichting Donateurs Concertgebouworkest. En het klikte, ook doordat alle drie internationaal zijn georiënteerd.

„Het werkt omdat we samen iets unieks bieden”, zegt Gordenker. „Er zijn zoveel culturele instellingen die men een warm hart toedraagt en die vriendenclubs hebben.” „Samen staan we sterker”, zegt Van Leer, en zijn artistiek directeur Paul Lightfoot zegt als hij zijn dansers introduceert: „Als kunst kunst ontmoet, gebeurt er iets interessants”. Het is ook een vorm van „cross-selling”, zegt Steijn, die een marketingachtergrond heeft.

De 25 donateurs, die elk 5.000 pond (5.800 euro) per jaar bijdragen, zijn binnen een jaar gevonden, vooral via mond-tot-mondreclame. Het zijn, zo bleek gisteravond, echte cultuurliefhebbers die gedurende het diner enthousiast met elkaar over kunst, dans en muziek praten. De meesten zijn Nederlandse expats die enige jaren in Londen wonen.

Zoals Monique Blase-Hessing en haar echtgenoot Steven. Via via zijn ze benaderd voor Dutch Masters. Enthousiast vertelt Blase-Hessing, oud-bankier, over een optreden van twee violisten bij Sotheby’s. Niet dat ze iets terug eist van de stichting. „Het is best een bedrag. Maar normaal als je iets geeft, ben je het kwijt.”

De meeste gevers voelen het „deels als een voorrecht deels als plicht”, zegt Dutch Masters-voorzitter Steven Kaempfer, bankier en al veertig jaar actief in de Londense City. „Dit gaat om liefde en passie voor Nederlandse kunst, maar het is ook onze plicht ons erfgoed te behouden. Het is zelfs onze verplichting om in een periode van bezuinigingen door de overheid als private donateurs een stap te doen.”

Onder hen is ook Roos Damen, met 26 jaar een van de jongste leden van Dutch Masters. Ze werkt bij een investeerder en is is van jongs af aan een trouw bezoekster van het NDT, dat wordt gesponsord door het bedrijf van haar ouders. „Ik weet nog hoe ik toen ik tien was helemaal onder de indruk raakte van een optreden van Jirí Kylián.” Als het NDT in Londen optreedt, organiseert zij een avond met Britse leeftijdsgenoten „om hen zo kennis te laten maken”.

De stap naar lidmaatschap van Dutch Masters was snel gemaakt. Vanwege de morele steun – „als Nederlander in het buitenland ben ik toch trots op instellingen van dit wereldniveau” – maar ook vanwege de financiële steun. „Dat is belangrijk, zeker in moeilijke tijden. Niet dat ik tegen bezuinigingen ben, maar ik vind dat degenen die het zich kunnen veroorloven een steentje extra moeten bijdragen.”

Ook Johnny Van Haeften was zo’n „sitting duck”, zoals hij het zelf omschrijft. Hij is de enige galeriehouder in Londen die louter Nederlandse en Vlaamse oude meesters verkoopt. Vandaar zijn belangstelling voor Dutch Masters, vertelt hij. Want ondanks die Nederlands klinkende naam is hij Brit, een van de drie die nu donateur is.

Dat zullen er snel meer worden, waarschuwt Van Haeften. „Ik ken genoeg gelijkgestemden die dit interessant zouden vinden.” Steijn van het Concertgebouworkest zou de helft Nederlanders, de helft Britten ideaal vinden, Van Leer van het NDT heeft het over iedereen met „Anglo-Nederlandse banden” en over „Nederlandse wereldburgers”. Dutch Master-voorzitter Steven Kaempfer laat iedereen beloven „volgend jaar voor één nieuw lid te zorgen”.

Maar waar ligt de grens? De avond in Dulwich Picture Gallery is bijzonder door zijn intimiteit. Iedere spier in de lichamen van broer en zus Marne en Myrthe van Opstal, twee jonge NDT-dansers, is te zien als ze hun ballet uitvoeren. Emilie Gordenker moedigt haar publiek aan vlak bij de Rembrandts te gaan staan. En het celloduet door KCO-musici Gregor Horsch en Fred Edelen ontroert doordat de eenvoudige klanken echoën in de goeddeels lege galerie.

„Schöne sorgen”,zegt Kaempfer. „Dat is een vraag voor later.”