Aviodrome

Ik begreep wel waarom luchtvaartmuseum Aviodrome failliet was verklaard. Niet omdat de Nederlander niets meer geeft om de Nederlandse luchtvaartgeschiedenis, maar omdat Aviodrome op een onmogelijke en onooglijke plek ligt. Net buiten Lelystad. „Een serum tegen de verbeelding”, zoals Joris van Casteren de stad omschreef waarin hij was opgegroeid. De kwalificatie geldt evengoed de volstrekt bloedeloze omgeving van de stad. Ik ken industrieterreinen met meer charme. Goed bereikbaar met het openbaar vervoer is het evenmin. Een bus per uur vanaf het centraal station van Lelystad, die ik uiteraard net miste. Een uur gewacht op de buslijn 148. Daarna in de miezerregen naar Aviodrome moeten lopen. Helemaal doorweekt kom ik de tot museum omgetoverde hangar binnen. Entreegeld: 15 euro.

En dan de collectie. Na een uur was ik er klaar mee. Te rommelig opgesteld, alsof je door de krappe schuur van je modeltreinen verzamelende buurman loopt. Nauwelijks een chronologische opbouw, je moet zelf maar uitvogelen welke technische ontwikkeling voorafging aan welk toestel. En het is nadrukkelijk een museum, iets wijzer van de recente rol en verdiensten van de Nederlandse luchtvaartindustrie werd je niet.

Een kinderkoor moest de boel verlevendigen, maar was nauwelijks te verstaan in de gehorige kantine. In een zaaltje daarnaast bouwden mannen aan modelvliegtuigen. Hobbyisten die volledig in hun werk opgingen. Voor een praatje waren ze niet aanspreekbaar. Onderling spraken ze wel, maar in een geheimtaal die onontcijferbaar was voor een niet-ingewijde als ik.

Luchtvaarteconoom Hans Heerkens die ik later over Aviodrome belde, was verbaasd over mijn kritiek op het autistische karakter van Aviodrome. Met stijgend enthousiasme somde hij de historische toestellen die in het museum zijn tentoongesteld.

„Maar”, erkende hij, „zo’n museum kan niet alleen draaien op luchtvaartliefhebbers zoals ik.”

We vonden elkaar wel in een kritiekpunt: de locatie. Die is foeilelijk en heeft misschien wel meer schuld aan het failliet van Aviodrome dan desinteresse van het Nederlandse volk in de verdiensten van volksheld Anthony Fokker.

Ik liep nog even door de Boeing 747, een van de spektakelstukken van Aviodrome en dacht: dit was misschien spectaculair toen vliegen nog iets avontuurlijks was. Nu, met spotgoedkope chartervluchten naar Bodrum, Salou, et cetera, is vliegen net zo spannend als een busrit met Connexxion.

Heerkens zou het jammer vinden als Aviodrome echt definitief verdwijnt. Want wat moet er worden van een pronkstuk als de haast prehistorische Fokker Spin C (een soort fiets met vleugels)? Heerkens noemt een paar mogelijkheden ter overleving: fuseren met het Militair Luchtvaartmuseum, pronkstukken aan andere musea verkopen, lokkertjes rondom Aviodrome bouwen. Het museum zelf meldde gisteren dat er serieuze gegadigden zijn om de failliete boel over te nemen. Wie dat ook mag worden, laat de (on)gelukkige er dan in elk geval een plek maken die een reis naar dat onooglijke strookje land de moeite waard maakt.