Woorden, woorden

Zoals de lezer zich hopelijk herinnert kon ik vroeger met mijn vrouw nog wel eens een goed gesprek hebben, bijvoorbeeld – ik noem maar iets vrolijks – over sociaal-democratische beginselen, of de toekomst van de Hedwigepolder, maar de laatste tijd komt daar weinig meer van.

Een zekere onrust heeft bezit van haar genomen. Als ik zo’n belangrijk onderwerp aanroer, kijkt ze me afwezig aan, mompelt iets en vestigt dan weer haar blik op een rechthoekig glazen doosje op haar schoot. Dat doosje is haar dierbaarste kleinood geworden, ze heeft er zelfs een wollen jasje voor gekocht, het valt me nog mee dat ze het niet zelf gebreid heeft.

Ze zucht, tikt op het glas, fluistert onbegrijpelijke woordjes voor zich uit. In het gunstigste geval richt ze zich alleen nog tot mij met vragen als: „Bestaat het woord ‘plern’?” Af en toe komt ze zelfs mijn werkkamer binnen geschicht om een greep te doen naar mijn Nederlandse woordenboek. Opmerkelijk, want wie er vroeger ook door haar is aangerand, niet de Dikke Van Dale.

Dat doosje is een iPad, mij bij mijn afscheid geschonken door mijn werkgever. Ik heb het een paar keer mogen bekijken, maar daarna verdween het naar een geheime bergruimte waaruit het alleen nog wordt opgediept om er het spel Wordfeud op te spelen, een brutale imitatie van het bijna vergeten Scrabble dat ik vroeger op lange winteravonden met mijn ouders speelde „als er toch niks op de televisie was”.

Scrabble is dankzij Wordfeud helemaal terug van weggeweest. Hendrik Spiering schreef er onlangs in deze krant een artikel over. Hoe spectaculair onze digitale vorderingen ook zijn, we blijven burgerlijke burgers, verknocht aan huiselijkheid en warme chocolademelk.

Het verschil is dat mijn vrouw nu niet meer met haar dochter aan dezelfde tafel hoeft te zitten, maar elektronisch scrabbelend een afstand van 50 kilometer moeiteloos kan overbruggen. Mocht mijn dochter zich morgen in Mantsjoerije (liever dan Timboektoe) vestigen, dan is ook dat geen beletsel voor het gezamenlijk vormen van oerhollandse, maar weinig gebruikte woorden als polderboer, kolenkit of boezeroen. Zo wordt de wereld toch nog ooit één groot Urk.

Onlangs vroeg ik officieel toestemming voor het bijwonen van zo’n digitale scrabblesessie. Hieronder mijn (door de deelnemers nog niet gecensureerde) verslag.

Mijn vrouw tikt na ampele overwegingen het woordje ‘Lar’ in.

Dochter: „Lar?”

Moeder: „Ja, dat moet bestaan. Hij weigert het in ieder geval niet. Papa gaat nu even in de Van Dale kijken wat het betekent.”

Ik, citerend: „Het is een soort van gibbon met een zwart gezicht, omgeven door wit haar, witte handen en voeten.”

Moeder: „Ik wist niks anders, ik tikte maar wat in.”

Dochter: „Dit spel is dus ook goed voor je algemene ontwikkeling.”

Ik: „Wisten jullie eigenlijk wel wat een gibbon was?”

Moeder: „In elk geval een dier.”

Dochter: „Ken jij het woordje ‘cas’?”

Moeder: „Centraal antennesysteem – maar afkortingen mogen niet!”

Dochter: „Ik bof! Hij accepteert het!”

Mijn vrouw verliest uiteindelijk met vier punten verschil. Meteen tikt ze in: „Revanche, revanche.”

Mijn dochter laat weten dat zij zelf slecht tegen haar verlies kan, behalve als zij tegen haar moeder en haar zus speelt. Ik vind dat een mooi bewijs van liefde, al valt het me op dat ze haar vader (die ook slecht tegen zijn verlies kan) niet noemt.