Opinie

    • Sjoerd de Jong

Twee keer bis: over speelse genres in de krant en een racismerel bij de buren

Tijd om de balans op te maken, nu de jaarwisseling nadert. Over twee weken een overzicht, nu eerst een vervolg op twee onderwerpen waar ik recent over schreef: speelse genres in een serieuze krant en het frame van (anti)racisme in de berichtgeving.

Eerste reprise: onlangs bekritiseerde ik de Amsterdam-bijlage omdat die een ‘nep-persbericht’ had geplaatst over het Holocaust Namenmonument. Tegelijk betreurde ik het dat speelsere genres niet goed meer kunnen in tijden van de Wet van Poe (die zegt dat in de moderne mediacultuur ironie, humor of parodie altijd verkeerd worden begrepen).

Maar het kan kennelijk nog wel – soms. De kunstredactie plaatste een fictief interview met schrijver en satiricus Arjen Lubach, dat volledig was opgebouwd uit eerdere citaten van hem. Lubach geeft zelden interviews, hij maakte voor bijvoorbeeld de Volkskranteen uitzondering. Dus dan maar zo, vooral omdat de satiricus zelf geregeld interviews parodieert.

Het stond er duidelijk bij, mét bronvermelding van de citaten. Slechts één lezer maakte bezwaar. Hij zag het als een vorm van „terugpakken”. Dat is niet zo, zegt de chef Kunst, de krant ging eerder in op de Aufforderung zum Tanz van de satiricus zelf. De auteur van het stuk zegt: „Het idee ontsprong aan de uitspraak van Lubach dat hij niets nieuws te vertellen heeft. De ironie van een knipselinterview is dat er inderdaad niets nieuws in staat. Het onderstreept dus zijn woorden.”

Overigens is zo’n knipselmap-interview niets nieuws. Literatuurwetenschapper Marita Mathijsen ‘interviewde’ in deze krant in 1989 al eens een reeks negentiende-eeuwse schrijvers.

Dan nog kun je zoiets bij een levend persoon flauw of een zwaktebod vinden, zoals die lezer, maar een reden voor de krant om zich te „schamen”? Nou nee.

Tweede, wat langere reprise: de verslaggeving over racisme en antiracisme. Die is urgent, maar ook ideologisch beladen en raakt al snel in een kluwen met andere zorgen, zoals over het feit dat krantenredacties, ook die van NRC, nog steeds overweldigend wit en homogeen zijn (het laatste ook wat betreft scholing, sociale achtergrond en woonplaats).

De recente berichtgeving over een columnistenrel bij Trouw was in mijn ogen een voorbeeld van racisme-duiding op basis van te weinig feiten voor de lezer – zij het voor een belangrijk deels buiten de schuld van de redactie om.

NRC bracht prominent het nieuws dat Trouw-columnist Seada Nourhussen bij die krant vertrok „vanwege de vele haatberichten” én dat NRC-columnist Clarice Gargard aangifte had gedaan nadat ruim 8.000 racistische en seksistische reacties waren geplaatst bij een filmpje dat zij op Facebook had gezet van een anti-Zwarte Piet-demonstratie.

Met het vertrek van Nourhussen als lead (en een foto van haar erbij) werden de zaken gekoppeld, als bewijs dat vrouwelijke zwarte columnisten dagelijks te maken krijgen met haatberichten. Nourhussen zelf gaf geen commentaar, wél de hoofdredacteur van Trouw, die zei dat de columnist „de druk” van de negativiteit niet meer aankon. In Trouw en in Nieuwsuur zei hij dat „de samenleving zich moet schamen”.

Het is een hard feit dat met name zwarte vrouwen online mikpunt zijn van hatelijke en racistische reacties. De conclusie dat dit de reden was voor Nourhussens vertrek lag dan ook voor de hand.

Maar wat de NRC-verslaggever was ontgaan – en wat de Trouw-hoofdredacteur er niet bij vertelde – was dat Nourhussen óók, of zelfs vooral, een probleem had met haar eigen krant. Kort tevoren was ze bekritiseerd door de Trouw-ombudsman en ook in een recent interview was haar naam in kritische zin gevallen.

In het online tijdschrift OneWorld, waar ze hoofdredacteur is, liet zij zelf twee dagen na de golf berichten over haar vertrek weten dat die frictie met Trouw en een uitnodiging van de hoofdredactie om ‘bij te praten’ over haar column, voor haar de deur hadden dichtgedaan. Ze voelde „te weinig bewustzijn vanuit de redactie voor haar kwetsbare positie als zwarte, vrouwelijke opiniemaker”, en ze wilde geen „clickbait” worden (inclusief de top-tot-teen foto bij het bericht in NRC).

De verslaggever die het bericht maakte, wijst erop dat in die verklaring de uitleg van Trouw niet wordt ontkend, maar wordt aangevuld. „Ze vertrok niet alléén om de reden die Trouw gaf, maar ook om gebrek aan steun, wegens wit onbegrip. Die twee liggen in elkaars verlengde.”

Wat je daar ook van vindt, Nourhussens toelichting bood meer en andere feiten dan de eenduidige koppeling van haar vertrek aan de aangifte door Gargard. Maar die koppeling was toen al overgenomen in een door tientallen journalisten (24 van Trouw) ondertekende oproep, die NRC op Opinie plaatste met de kop Red de samenleving, steun Gargard en Nourhussen.

Onvermijdelijk volgde de contra-framing: columnisten (en PVV’er Martin Bosma) sprongen erbovenop om de zaak af te doen als een arbeidsconflict dat niets te maken had met racisme of de positie van zwarte journalisten. Al schreef Nourhussen dat ze wel degelijk „vaak” racistische reacties kreeg, alleen waren die niet de aanleiding voor haar vertrek.

En NRC? Dat bracht over Nourhussens eigen uitleg een piepklein berichtje – zo klein dat het mij (en ik denk veel lezers) niet eens was opgevallen. Dan blijft toch de indruk hangen – zie de hoofdredacteur van Trouw over „Seada” – dat hier een columnist is bezweken voor druk van buitenaf, wat niet het geval was.

Kon het anders? De verslaggever moest het doen met wat hij hoorde, Nourhussen zweeg. Maar er waren dus méér feiten. Ja feiten, de barsten in elk frame.

Reacties: ombudsman@nrc.nl

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.

    • Sjoerd de Jong