Rosenthal is probleem helemaal niet

In het buitenland begrijpt niemand iets van het beleid van Nederland. De vele ongerijmdheden komen niet door Rosenthal, maar door de gedoogconstructie, vindt Peter van Walsum.

Onder de kop ‘Ambtenaren: Rosenthal is niet diplomatiek genoeg’ gaf NRC Handelsblad een samenvatting van de overwegend kritische beoordelingen van minister Rosenthal (Buitenlandse Zaken, VVD) die een rondgang van de krant langs ambtenaren en diplomaten, een jaar na diens aantreden, had opgeleverd (19 november). De volgende dag verdedigde de minister zich in het tv-programma Buitenhof. Hij zei dat onder hem Nederlands buitenlands beleid in het Nederlandse belang werd gevoerd. Daarbij was alles wat met welvaart en groei te maken had heel belangrijk. De onvrede onder zijn ambtenaren viel volgens hem terug te voeren „op een heel simpel feit: Buitenlandse Zaken moest 75 miljoen euro bezuinigen en tegelijk hervormen. Dat sommige ambtenaren dat niet direct konden bijbenen, „was dan jammer”; daar moest aan worden gewerkt. Op 24 november kwam de kwestie ook aan de orde in het begrotingsdebat voor Buitenlandse Zaken. Minister Rosenthal hield daar vol dat voor de overgrote meerderheid van ambtenaren op zijn departement een sfeer van openheid heerste.

Uit het onderzoek van NRC Handelsblad, de uitzending van Buitenhof en het Kamerdebat vielen weinig harde conclusies te trekken. Ambtelijke kritiek op de eigen minister is normaal; een ministerie zonder ambtenaren die kritiek hebben op hun minister, bestaat niet. Alleen Rosenthals laatst geciteerde opmerking in de Kamer is niet erg geruststellend. De overgrote meerderheid van ambtenaren steekt zijn nek niet uit, maar past zich aan bij het bewind dat door de bewindsman wordt gevoerd. Waar het in dit geval om moet gaan, is de kleine minderheid van ambtenaren met ervaring in – en hart voor – verantwoordelijk buitenlands beleid. Dit zijn mensen die ongeacht hun persoonlijke politieke gezindheid in ieder geval beseffen dat het Nederlandse belang zich op uiteenlopende wijzen laat definiëren. Wat zij ook scherp inzien is dat alleingang bijna nooit in ons belang is. Als wij aan het eind van de discussie een standpunt innemen dat door geen van onze partners wordt gesteund, hebben wij al gefaald in onze overredingskracht of in ons vermogen de situatie correct in te schatten. Het gaat deze ambtenaren telkens aan het hart als Nederland door eigen toedoen in zo’n isolement belandt, zeker als de betrokken bewindslieden daar prat op gaan.

Soms biedt het dossier hun dan nog wel aanknopingspunten om het rigide standpunt van Nederland aan de partners uit te leggen, maar vaak is dat onbegonnen werk, omdat de eigengereide stellingname niet uit de koker van het kabinet komt, maar onderdeel vormt van het voor ambtenaren ontoegankelijke uitruilproces dat als motor van de gedoogconstructie fungeert. De PVV gedoogt dat het kabinet het leeuwendeel van zijn beleid met steun van de oppositie door de Kamer loodst, maar verlangt als tegenprestatie enkele aan de partners moeilijk verkoopbare standpunten met betrekking tot vreemdelingen, eurozone of Israël.

De uitleg aan de partners zou dan moeten beginnen met een uiteenzetting van de gedoogconstructie, maar die komt niet ver, omdat buiten Nederland niemand begrijpt hoe ons parlement kan instemmen met een structuur waarin de coalitie zich bij gebreke van een meerderheid moet laten ringeloren door een populistische partij die zelf nergens ter verantwoording kan worden geroepen.

De onvrede op Buitenlandse Zaken richt zich dus niet tegen Rosenthal, ook niet tegen het hele kabinet, en zelfs niet tegen de PVV, maar tegen de heilloze gedoogconstructie. De gedoogconstructie is een buitenlandspolitiek onding dat, als het kabinet-Rutte voorbij is, nooit meer van stal moet worden gehaald.

Ondertussen komt alle kritiek van de ambtenaren van Buitenlandse Zaken terecht op het hoofd van minister Rosenthal, maar die had niet anders kunnen verwachten.

Peter van Walsum was van 1963 tot 2001 ambtenaar op het ministerie van Buitenlandse Zaken.