Milieubelasting is geen nutteloze rompslomp

Het kabinet-Rutte zet de milieuwetten bij het grof vuil. Dit is onverstandig, vindt Rick van der Ploeg c.s. Neem een voorbeeld aan de Britse conservatief Cameron.

Het milieu in Nederland staat er nog steeds niet best voor. Je hoeft er de recente, vergelijkende onderzoeken van de Stichting Natuur en Milieu, het Centraal Bureau voor de Statistiek en de gezamenlijke planbureaus maar op na te slaan. Lucht-, bodem- en waterkwaliteit geven – ondanks soms succesvolle inspanningen – een verre van rooskleurig beeld. Onthutsend is om, in weerwil van de beeldvorming, te zien dat Nederland op tal van milieuterreinen behoort tot de meest vervuilde plekken van Europa.

De luchtkwaliteit is bijna nergens in Europa slechter dan in onze delta. Hetzelfde geldt voor de water- en bodemkwaliteit. We staan in hetzelfde rijtje als Bulgarije en Roemenië. Deze landen nemen het traditioneel minder nauw met het milieu. Dit gebrek aan milieudaadkracht schaadt niet alleen de kwaliteit van leven, maar brengt ook veel economische kosten met zich mee, zoals gezondheidsschade door luchtverontreiniging. Deze zorgelijke toestand van ons milieu drukt ons met de neus op de feiten. We leven in een relatief kleine, dichtbevolkte delta met te veel vervuilende activiteiten, zoals de intensieve landbouw en een druk verkeersnetwerk.

De ernst van de situatie wordt onvoldoende onderkend. De kabinetsaanpak is helaas een breuk met het verleden. Het primaat wordt vooral gelegd bij lokale initiatieven door burgers en bedrijven, al dan niet in samenwerking met de lokale overheid. Natuurlijk is er niets mis met wat vroeger nog werd aangeduid als ‘verinnerlijking van milieubeleid’ en wat nu ‘Green Deals’ worden genoemd, maar dergelijke overeenkomsten ontslaan de overheid niet van haar taak om zelf zorg te dragen voor een kader waarin marktfalen adequaat wordt aangepakt. Verbetering van de luchtkwaliteit is niet met koopkrachtige vraag op de markt ‘aan te schaffen’. Niemand kan zich onttrekken aan ongezonde lucht in een gebied. Al meer dan honderd jaar is het inzicht dat dergelijk marktfalen een kerntaak van de overheid is, net als de veiligheid op straat en de bescherming tegen natte voeten.

Een belastingstructuur is nodig waarin het milieu – net als water, CO2-emissies en weggebruik – adequaat zijn ‘beprijsd’, niet alleen voor huishoudens, maar ook voor bedrijven. Dit maakt brandstof en elektriciteit duurder en het is vervelend voor burgers met een smalle beurs en voor de staalbedrijven, tuinbouw en kolencentrales die veel CO2 gebruiken, maar de inkomsten van deze milieubeprijzing kunnen linea recta terug naar burgers en bedrijven, via een lagere inkomsten- en vennootschapsbelasting. Effectief milieubeleid moet dus niet leiden tot lastenverzwaring, maar tot lastenverschuiving. Verder moeten groene innovaties die moeite hebben om de weg naar de markt te vinden, een steuntje in de rug krijgen. Tot slot moeten subsidies die het milieu schade toebrengen, worden afgeschaft.

Het kabinet doet precies het omgekeerde. Onder het mom van een vereenvoudiging van het belastingstelsel ruimt dit kabinet juist een serie milieubelastingen op, zoals de verpakkingenbelasting, afvalstoffenbelasting, grondwaterbelasting en belasting op het leidingwater. Bij het argument van staatssecretaris Weekers (Financiën, VVD) dat het schrappen van deze belastingen het einde van veel administratieve rompslomp betekent, levert dit ook nog een verlies op van 750 miljoen euro aan belastinginkomsten. Dit verlies moet elders worden gecompenseerd, bijvoorbeeld via een verhoging van de inkomstenbelasting. Deze lastenverschuiving werkt dus precies de verkeerde kant uit.

Sommige subsidies brengen het milieu schade toe, zoals gebeurt met het bouwen van vuile kolencentrales. Iets soortgelijks zien we bij de belastingen op het autogebruik. Omdat er geen cent extra wegenbelasting mag worden opgehaald, maken de nieuwe belastingtarieven een benzine slurpende Porsche Cayenne al gauw twintigduizend euro goedkoper. De zuinige Renault Twingo wordt juist duizend euro duurder.

Het kabinet overweegt ook belangrijke subsidies af te schaffen die milieu-innovatie stimuleren. Voor de veel te ruim opgezette regeling voor belastingdifferentiatie voor schone auto’s is dit nog te begrijpen, maar niet voor de subsidies of belastingvrijstellingen die milieuvriendelijke technologie stimuleren. Ook het beperken van subsidiestromen tot alleen de goedkoopste groene opties is geen toonbeeld van slim voorsorteren op de CO2-arme samenleving die in vele ons omringende landen vorm krijgt.

Nog moeilijker te begrijpen is dat dit kabinet mogelijkheden onbenut laat om subsidies af te schaffen die het milieu juist schade toebrengen. Lage energiebelasting voor de glastuinbouw, een lage accijns op rode diesel, subsidies voor bestelauto’s, vrijwel geen accijns op vliegtuigbrandstof – hier laat de overheid na om haar eigen negatieve bijdrage aan het marktfalen op te heffen en en passant haar belastinginkomsten te vergroten. Een beter voorbeeld van een tweesnijdend zwaard is nauwelijks denkbaar.

Er is geen reden om het zorgvuldig opgebouwde belastinggebouw rond milieu bij het oud vuil te zetten, integendeel. Er zijn rationele argumenten om dit gebouw te ondersteunen. Hiermee zouden bijvoorbeeld achterblijvende investeringen in energiebesparing en duurzame energie een impuls krijgen en zou Nederland beter kunnen profiteren van de snel groeiende wereldmarkt op het gebied van schone technologie. Onze premier kan nog heel wat leren van zijn Britse conservatieve kompaan David Cameron. Hij is niet vergeten dat de aanpak van de milieuproblematiek een sterke overheidsrol vergt, crisis of niet.

Rick van der Ploeg is hoogleraar aan de universiteiten van Oxford en Amsterdam. Herman Vollebergh is verbonden aan het Tilburg Sustainability Centre van de Universiteit van Tilburg. Aart de Zeeuw is hoogleraar aan het Tilburg Sustainability Centre.