Journalisten zijn terroristen

Turkse media negeren, op verzoek van premier Erdogan, alle acties van de PKK.

Maar mediabedrijven censureren ook vrijwillig, uit eigen economisch belang.

Vrijdagavond, twee weken geleden, kwart voor zes. De Turkse 24-uurszenders brengen over rode en gele balken chocoladeletters in beeld: SON DAKIKA. Laatste nieuws. In de haven van Izmit is een veerboot gekaapt. De zenders gaan volle kracht vooruit in hun speculaties. De kaper zou een bom bij zich hebben. De kaper zou met drie of vier handlangers de achttien passagiers en vier bemanningsleden hebben gegijzeld. De kaper zou op weg zijn naar Istanbul. De kaper zou lid zijn van de Koerdische afscheidingsbeweging PKK.

En dan: stilte. De zenders schakelen terug naar hun gewone programmering. Op CNN Türk praat een studio vol gasten over de aardbeving in Van en de nasleep. Op NTV gaat het over de crisis in Europa. De kaping is nog in volle gang, maar het Turkse nieuws kijkt de andere kant op.

„Er kwamen telefoontjes binnen en een fax van het Openbaar Ministerie die opdracht gaven de berichtgeving over de kaping onmiddellijk te staken”, bevestigen diverse medewerkers bij de nieuwszenders. De medewerkers willen anoniem blijven, als een stilzwijgende bevestiging van het huidige klimaat in Turkije. In deze kandidaat-lidstaat van de Europese Unie groeien de economie en de belangstelling van Europese investeerders net zo snel als de persvrijheid slinkt.

Een maand eerder riep premier Tayyip Erdogan de directeuren van alle mediabedrijven bij zich. Het was twee dagen nadat de PKK Turkse legerposten had aangevallen en 24 soldaten had gedood. De Turkse regering had nog nooit zo machteloos geleken. De premier eiste hulp van de hoofdredacteuren die opeen geperst aan een lange smalle tafel zaten. Aan het hoofd van de tafel stond de premier. Hij noemde „propaganda de zuurstof van terreur”. Na afloop van de bijeenkomst beloofden de hoofdredacteuren niet langer „nieuws uit te zenden dat het publiek aanzet tot paniek, chaos, haat, geweld of vijandschap”. Lees: negeer de PKK.

„Volgens collega’s aanwezig op de bijeenkomst dankten sommige hoofdredacteuren de premier voor deze opdracht. Ze waren meer dan bereid zijn decreet te volgen”, zegt Dogan Tilic. Hij is vicevoorzitter van de Vereniging voor Europese journalisten en schreef het boek: Ik ben journalist en ik schaam me. In dat boek interviewde hij 150 journalisten in Turkije en Griekenland die vrijwel allemaal schaamte bekennen over de manier waarop ze tegenwoordig journalistiek moeten bedrijven.

De Turkse media hanteren zonder uitzondering de term „terroristen” als het gaat om de leden van de PKK, die zegt te strijden voor zelfbestuur voor de 15 miljoen Koerden in Turkije. Daarmee hanteren de Turkse media het taalgebruik van de regering. De meeste internationale media, waaronder deze krant, schuwen die term en spreken over „militanten” of „strijders” wegens de politieke lading van het woord „terrorist”. Toen het persbureau Reuters in zijn berichtgeving weigerde „rebellen” te veranderen in „terroristen” werd het volgens Turkse websites geboycot door een aantal grote Turkse bedrijven waar Reuters geregeld over de vloer komt.

Maar de (zelf)censuur in Turkije reikt veel verder dan alleen de Koerdische kwestie. In Turkije zitten nu meer dan zestig journalisten in de gevangenis, meer dan in Iran of China. Volgens het platform Vrijheid voor Journalisten lopen er momenteel „10.000 gerechtelijke onderzoeken” naar journalisten en schrijvers. Velen wachten maanden, soms jaren in de gevangenis op afronding van dat onderzoek.

Onder hen zijn de bekroonde journalisten Nedim Sener en Ahmet Sik. De formele aanklacht tegen hen is „terrorisme en hulp aan een terroristische organisatie”. Maar volgens de advocaat van Sik kan de zaak tegen zijn cliënt enkel worden teruggevoerd naar het boek dat hij schreef over de Turkse islamgeleerde Fethullah Gülen, die nauw gelieerd zou zijn aan de AK-regering van Erdogan. „Hij zit in de gevangenis om dit boek”, zegt advocaat Fikret Ilkiz. De arrestaties ontmoedigen Turkse journalisten de gevoelige onderwerpen aan te snijden. „Dit gesprek wordt waarschijnlijk opgenomen”, zegt advocaat Ilkiz over de telefoon. „Ik weet dat ze luisteren want de gesprekken tussen mijn cliënt en mij staan allemaal op papier en dienen nu als bewijslast.”

Niet alleen de regering zet de vrijheid van meningsuiting onder druk. De eigenaren van de mediabedrijven doen dat ook, om hun belangen in andere sectoren van de economie niet te schaden. „De mediabazen raken verstrikt in hun zakenbelangen. Toen een lek in de dijken rond een zilvermijn de omgeving ernstig vervuilde, negeerden de meeste Turkse media dit verhaal wegens hun belangen in de mijnbouw”, vertelt schrijver Tilic.

Het voorval bewijst volgens hem dat economisch succes democratie in de weg kan staan. De groeiende zorgen van de Europese Unie over de persvrijheid worden in Turkije nu lachend in de wind geslagen. Toen de Turkse minister van Europese Zaken Egemen Bagis onlangs werd gevraagd over waar Turkije naartoe zou gaan als toetreding tot de EU niet doorgaat, antwoordde hij lachend: „Naar Disneyland.”