Ik ben (wel en niet) een New Yorker

Van haar vader heeft Sophie van der Stap twee dingen meegekregen in het leven: naar boven kijken en nee zeggen.

In New York probeert zij deze raad in praktijk te brengen: ze ziet wolkenkrabbers en zegt tegen alles nee.

Ik word wakker in een straat die naar een orchidee is vernoemd tegenover een restaurant dat de vette radijs heet. Wat levert een beetje vertalen toch een hoop schade op. Orchard Street klinkt best leuk. En Fat Radish – daar loop je meteen naar binnen toch?

Ik ben in New York om samen met mijn Amerikaanse literair agente aan de vertaling van mijn debuut (dat inmiddels al behoorlijk verjaard is) te werken. Het bijzondere van New York is dat je nergens anders op hetzelfde moment en op dezelfde plaats zo ergens bij kan horen en tegelijkertijd zo anoniem kan zijn. Want nergens anders is de identiteit die alle inwoners delen zo’n anonieme: niemand in New York is een New Yorker en daarom is iedereen in New York een New Yorker. Het is dus volledig oké dat ik me na een dag al als een New Yorker gedraag. (Ik drink mijn koffie op straat, ik vraag iedereen hoe het met ze gaat en ik haal mijn neus op als iemand naast mij een sigaret opsteekt.) De reden van mijn bezoek is immers, hoe kan het ook anders in Amerika, een zakelijke: de Amerikaanse markt voor mijn boek interesseren. Daar waar Korea en Vietnam zonder blozen de rechten van mijn roman gekocht hebben, hebben de Amerikaanse uitgeverijen hun twijfels nooit omgezet in boeken.

Eigenlijk is het met boeken net zo als met relaties: het knelpunt ligt ’m in de vertaling. Zonder schroom deleten mijn agente en ik daarom passages die zich helemaal niet laten vertalen en pimpen we dat wat overblijft naar alle vrijheid op. Je weet wel, op z’n Amerikaans. Dat mijn originele woorden dreigen te verdwijnen in het vocabulaire van mijn agente neem ik maar voor lief – hoewel de opportunities steeds meer uit het Westen wegtrekken, is de literaire grond van Amerika voor een schrijfster uit Amsterdam nog altijd vruchtbaarder dan die van Korea, Vietnam, Indonesië en Japan tezamen – en troost ik me met het lullig klinkende De vette radijs, waar ik gisteren nog met behulp van een paar glazen wijn op zoek was naar het Amerikaanse equivalent van Sofie en de Lange Wapper en ‘ons kankerlijertjes’ (iets wat in het Nederlands toch best aardig klinkt).

Beide hebben de oversteek naar Amerika niet gehaald.

Mijn vader heeft me twee dingen meegegeven in het leven. Naar boven kijken en nee zeggen. Het klinkt misschien niet zo, maar het levert me altijd wat op. Naar boven kijken levert me naast de bekende wolkenkrabbers, bakstenen puien met brandtrappen en een verdwaalde eekhoorn de overmoed op die bij mijn nieuwe identiteit past. Ha, ik ben een wandelaar in New York. Wat zeg ik, een wandelaar? Ik ben hier, nu, op dit moment, een deel van New York. Ik hoor bij New York. Jawel, ik ben een New Yorker.

Een week blijkt voldoende om je een nieuw mens te voelen.

Dan: nee zeggen. Dit levert in het algemeen vrijheid en trots op. Maar hier in New York levert het vooral how do you do’s op.

Hello!

No.

How are you today?

Ik zeg dan ook zo veel als ik kan nee. Zo zeg ik nee tegen stralende gebitten die iets aan me kwijt willen en tegen bedelaars die iets van me willen. Verder zeg ik nee tegen etalages vol met ziekmakende cupcakes, tegen de nodige facebookvrienden die deze week ook toevallig een New Yorker zijn (want dat maakt mijn nieuwe burgerschap minder serieus) en met iets minder enthousiasme tegen de gebruikelijke vrouwendingen (bloesjes, hakjes, tasjes). En jawel, het werkt: iedere keer als ik iets weersta, voel ik me vrij en zelfs een beetje trots. Opmerkelijk in dit rijtje is waar ik geen nee tegen hoef te zeggen: opdringerige, afkeurende of veroordelende blikken op straat. Niemand kijkt me aan. Of ik nou als Rogue van de X-men (dat mag want het is Halloween), in een bloot zomers jurkje (ook dat mag, het is 25 graden) of in een badjas over straat ga (ik ben immers een New Yorker). Ik kan doen wat ik wil, op m’n hoofd staan, zingen, ik denk zelfs dat ik een striptease kan geven zonder dat iemand me opmerkt.

Niemand kijkt naar me.

Niemand ziet me.

Niemand veroordeelt me.

De vrijheid die ik voel is enorm. Hier is het dan ook ooit allemaal begonnen. Vrijheid, gelijkheid, tolerantie, the American Dream. Toch doe ik het niet. Ik sta niet te zingen op een straathoek, noch loop ik rond in een badjas, noch sjees ik door de straten als Rogue hoewel al die dingen me best wel heel erg leuk lijken. Maar daar moet je een echte New Yorker voor zijn, vrees ik.

Schrijfster Sophie van der Stap (28) schrijft om de week over het theater van de mensen in een grote stad.

    • Sophie van der Stap