Hoog spel rond verbod pedofielenclub Martijn

Het plan van het Openbaar Ministerie (OM) om de pedofielenclub Martijn door de civiele rechter te laten verbieden, is op het eerste gezicht welkom. Ten minste één pleger van seksueel misbruik zegt door Martijn te zijn geadviseerd hoe hij kinderen kon benaderen. Daarmee zou de grens tussen het bepleiten en feitelijk bevorderen van kindermisbruik zijn overschreden. Door de vele veroordelingen van individuele bestuursleden staat het legitieme karakter van de vereniging ook ter discussie.

Toch moet de kans op succes bij de rechter niet hoog worden ingeschat. Nog in juni kwam het OM zelf tot de conclusie dat het laten ontbinden van de vereniging niet mogelijk was. De strafbare feiten werden buiten de vereniging om gepleegd en kunnen de vereniging ook niet worden toegerekend. De statuten vermelden dat de doelen die Martijn nastreeft uitdrukkelijk binnen de grenzen van de wet dienen te worden verwezenlijkt. Van een criminele organisatie was daarom geen sprake.

Die analyse van het Openbaar Ministerie dateert van vier maanden geleden. Maar afgelopen donderdag kwamen de procureurs-generaal tot een nieuw inzicht, exact op de dag dat CDA en ChristenUnie een wetsvoorstel aankondigden om verenigingen die pedofilie propageren te verbieden. Voorzitter Herman Bolhaar ontkende in Nieuwsuur dat de minister dit toeval had bevorderd met een aanwijzing. Er was sprake van voortschrijdend inzicht, dat spontaan samenviel met het politieke initiatief.

In de sport zegt men over dergelijke schijnbewegingen meestal dat ze ‘leuk geprobeerd’ zijn. Meer aannemelijk is dat het kabinet het initiatief wil houden bij het dempen van de groeiende onrust over pedofilie in de samenleving. En het OM zich op het laatste moment dienstbaar toonde.

Het ziet er namelijk naar uit dat het OM voor een haast kansloze zaak staat. Nog in 2009 mislukte tot aan de Hoge Raad een poging om een afdeling van de Hells Angels te verbieden.

De vrijheid van vereniging is een grondbeginsel van de democratische rechtsstaat, zei de hoogste rechter. Een verbod is een ernstige inbreuk op dit grondrecht dat „slechts in het uiterste geval” mag.

Het moet bovendien om méér gaan dan alleen om „maatschappelijk ongewenst gedrag”. Het gedrag moet „een daadwerkelijke en ernstige aantasting vormen van als wezenlijk ervaren beginselen van ons rechtsstelsel”, die de samenleving (kunnen) ontwrichten. Ontwricht Martijn de samenleving? Misschien gaat dat nog wat ver.

Uit het recente verleden kennen we alleen een verbod van de politieke partij CP’86, overigens nadat de rechter die als criminele organisatie had bestempeld.

De rechter staat straks voor een uitzonderlijk moeilijke afweging.