Geld heeft politiek nodig

In de kranten heerst een verheugende eensgezindheid over het feit dat het nooit meer goed komt, alleen is men het nog niet eens waarmee. We mogen onszelf gelukkig prijzen dat we in het jaar 2011 leven en eindelijk weten dat de wereld niet deugt, maar het zou fijner zijn te weten of we de mislukking op rekening moeten schrijven van corruptie, marktfalen, commercie, het failliet van de politiek of gewoon een algemeen menselijke lamlendigheid.

In een krantenverslag over een filmfestival las ik dat buiten werd gedemonstreerd door de Occupybeweging. Binnen waren een paar films te zien over de financiële crisis, maar dit thema was niet zo belangwekkend, schreef de verslaggever. „In de meeste festivalfilms zijn de problemen op zijn zachtst gezegd een tikkeltje groter.” Hij bedoelde documentaires als Justice for sale. Hierin verliest een jonge Congolese soldaat het van het rechtssysteem. De Congolese rechters blijken omkoopbaar.

Peinzend bladerde ik door naar een ander krantenbericht. Dit ging over de dood van Danielle Mitterrand. Zij was de weduwe van de voormalige Franse president. Volgens de necrologie was ze altijd opgekomen voor mensenrechten en voor de zwakkeren in de samenleving. Vorige maand, in haar laatste interview, verbaasde ze zich nog over het gegeven dat de wereldwijde sociale protestbeweging – les indignés – zo weinig weerklank heeft gevonden in Frankrijk. „Zelf zei ze dat het ‘rauwe kapitalisme’ op zijn laatste benen liep.”

Met deze twee knipsels lagen meteen een paar grote vragen op tafel. Is het probleem van corrupte rechters inderdaad „een tikkeltje groter” dan dat van het rauwe kapitalisme? Zijn het wel twee verschillende problemen? Is corruptie niet precies de kern van alle ellende? Gaat het de demonstranten op straat alleen om financiële, of juist ook om sociale hervorming? Gelukkig verscheen, net toen ik hopeloos in deze vragen verstrikt was geraakt, in de krant een stuk van Frits Bolkestein.

De koppenmaker had erboven gezet: ‘Deze crisis is de schuld van de overheid zelf’. Hiermee had hij de boodschap goed samengevat. De overheid, schreef Bolkestein, heeft nagelaten de markt voldoende te reguleren. Te veel en vooral te goedkoop geld is in omloop gekomen. De overheid heeft niet op tijd ingegrepen. Democratisch gekozen politici denken liever niet aan de lange termijn. Dat de markt zich vervolgens als een kat op het spek voelt gebonden en ook nog ‘een loopje’ met de wet neemt, kun je de markt niet verwijten.

Met deze overzichtelijke analyse gaf hij de filmrecensent gelijk. De financiële crisis is een vrij oninteressant, technisch probleem. Het kan simpel worden opgelost door een paar nieuwe regels te stellen en beter toezicht te houden. De demonstranten op straat, met hun kritiek op het rauwe kapitalisme, bieden volgens Bolkestein niet meer dan „destructief nihilisme”.

Mooi – de overheid heeft het gedaan. Het is altijd prettig te weten wie je de schuld moet geven, maar ik bleef toch zitten met de protestbeweging waarover Danielle Mitterrand met zo veel sympathie had gesproken en die volgens haar vroeg om sociale verandering. Was de crisis eenvoudig en technisch op te lossen met een Keynesiaanse of een Schumpeteriaanse schroevendraaier, of werd het tijd voor maatschappelijke idealen?

Als verwarde krantenlezer besloot ik het tijdschrift Wijsgerig Perspectief te hulp te roepen. Dit had vorig jaar een themanummer over economie en vertrouwen. De bijdragende auteurs schreven dat je tegen hebzucht weinig kunt doen, maar voor het draaien van de economie is het nodig te geloven dat we ook in de toekomst nog kunnen betalen met ons geld. Dit vertrouwen valt niet te installeren met een paar handgrepen in de economie. Daarom red je het niet met een technocratische aanpak alleen, schreef filosoof Gido Berns. Een politieke gemeenschap is nodig om het vertrouwen in geld als betaalmiddel te ondersteunen.

Al een halve dag was ik met de krant bezig. Ik besloot dat een financiële crisis dus wel degelijk een zaak van de politiek is. Terwijl ik het stuk van Bolkestein teruglas, waarin ik dit idee node miste, zag ik vanuit mijn ooghoek een bericht over minister Rosenthal (Buitenlandse Zaken, VVD). Hij schijnt met zijn diplomaten te werken voor de economische belangen van de BV Nederland. Dit haalde meteen de overzichtelijke indeling onderuit die Bolkestein had gemaakt tussen markt en overheid, tussen handel en regulering, tussen economie en politiek.

Al een dag was ik met de krant bezig. Ik was moe. Eigenlijk wilde ik de zaak niet weer oprakelen van de chemische wapens die Saddam Hussein, tegen krachtige internationale druk in, had gekocht van de BV Nederland, onder leiding van Frits Bolkestein, maar, dacht ik, iemand moet Bolkestein toch blijven herinneren aan zijn rauw kapitalistische zonden. Anders blijft hij denken dat op de markt alles geoorloofd is, dat een BV zich nooit schuldig maakt en dat iedereen die protesteert zich bezondigt aan „destructief nihilisme”.

Acht uur had ik de krant gelezen. Ik was tot een conclusie gekomen. Het komt best goed, maar dan moeten we over politiek praten. We moeten over politiek praten, maar dan komt het best goed.