Dierenpolitie? Een slecht idee, maar het moet nu eenmaal

Minister Opstelten wilde per se dit jaar beginnen met de dierenpolitie. De korpschefs hadden reserves. De eerste dierenagenten zijn opgeleid, en gaan toch iets anders doen.

Het is een politiek dossier waar lacherig over werd gedaan, door politici, burgemeesters en korpschefs: de dierenpolitie. Dit voorjaar werd de toon van het debat grimmiger. Intussen is het zo’n beladen onderwerp dat de korpsen er niets meer over mogen zeggen.

Dit verhaal laat zien hoe de minister van Veiligheid en Justitie probeerde nog dit jaar 125 dierenagenten aan het werk te krijgen en de korpschefs bijna een jaar lang zand in de machine strooiden. Het is gebaseerd op gesprekken met betrokkenen en op interne documenten uit de Raad van Korpschefs.

Het begint rustig: lange tijd gaan de korpschefs ervan uit dat het wel mee zal vallen met die dierenpolitie. Ze hebben er geen zin in en vinden het geen goed idee. Maar ze denken ook de dierenpolitie naar hun hand te kunnen zetten. Dat doen ze door al begin dit jaar, als nog niet duidelijk is wat de dierenpolitie precies moet gaan doen, agenten van de Levende Have voor die functie aan te wijzen – medewerkers van de bereden brigade en hondengeleiders. Vooral de laatsten, denken de korpschefs dan nog, kunnen het werk als dierenagent er gewoon bijdoen. Een taakaccent heet dat. Hondengeleiders hebben al basiskennis „met betrekking tot dieren en dierenverzorging”. Bovendien is de geurproef, een taak van hondengeleiders, minder in gebruik.

Het kan zijn dat de korpschefs terecht hebben gedacht dat dit de bedoeling was. Het ministerie van Veiligheid en Justitie heeft de Politieacademie in maart bijvoorbeeld nog verzocht een opleiding te ontwikkelen voor het ‘taakaccent dieren’. Kosten: 1.285 euro per agent.

Maar vanaf mei kan er geen misverstand meer over bestaan. Minister Opstelten (VVD) van Veiligheid en Justitie laat in een gesprek met de portefeuillehouder dierenpolitie in de Raad van Korpschefs, Bryan Rookhuijzen, op 16 mei weten wat hij wil: dierenagenten die het werk voltijds en uit vrije wil doen. Nog dit jaar moeten er 125 aan de slag zijn. En over vier jaar 500.

Toch zijn de korpschef niet overtuigd. Op 27 mei komen ze met een alternatief bij de minister. Ze vertellen hem dat het verstandiger is politiemensen er dierenmeldingen bij te laten doen dan dierenagenten er politietaken bij te geven. Want daar gaat het geschil intussen over. „Indien de minister zijn standpunt handhaaft, is geadviseerd om op dit moment niet over te gaan tot inrichting van de dierenpolitie”, wordt de minister volgens een interne notitie van de korpschefs kenbaar gemaakt. De dierenpolitie moet maar later worden ingevoerd, vinden ze, als onderdeel van de nationale politie. Maar na kritische vragen in een algemeen overleg in de Tweede Kamer, op 16 juni, laat de minister weten dat zich „in de loop van dit jaar 125 fulltime dierenpolitiemensen presenteren, die aan de slag zullen gaan”.

Het dringt pas tot portefeuillehouder Rookhuijzen, tevens korpschef van Limburg-Noord, door dat de dingen niet gaan zoals hij hoopt, als hij op 19 augustus van dit jaar een notitie ontvangt van de minister, waarin deze zijn standpunt herhaalt. Er zijn dan al tientallen hondengeleiders die de opleiding met tegenzin hebben afgerond óf in opleiding zijn óf er snel aan zullen beginnen. Maar zelfs dan nog vragen de korpschefs zich af of ze er onderuit kunnen.

De korpschefs moeten nu een standpunt bepalen, schrijft Rookhuijzen dit najaar aan zijn collega’s. Hij stelt drie opties voor. De eerste optie is, schrijft hij op 22 augustus: „De inrichting van de dierenpolitie volledig stoppen.” Hij vervolgt: „Vanuit het vakmanschap verdient deze optie de voorkeur.” Hiermee hopen de korpschefs een signaal af te geven. „Met deze optie wordt het ongenoegen van de politie over de onvoorspelbare handelwijze van het ministerie duidelijk gemaakt.”

Maar om opportunistische redenen besluiten de korpschefs toch hun medewerking te verlenen – en van die eerste optie af te zien. Aangezien de politie en de minister „elkaar nodig hebben bij de inrichting van de nationale politie, is deze optie vanuit politiek-bestuurlijk oogpunt niet aan te bevelen”. Ook de korpsbeheerders – de burgemeesters die de korpschefs aansturen – laten weten de notitie van de minister „te beschouwen als een opdracht van de minister waar de politie uitvoering aan zal geven”.

De korpschefs kiezen, nog steeds niet van harte, voor de optie waarin de korpsen de plannen in elk geval voor 2011 gewoon uitvoeren. Ze leiden 125 politiemensen op en richten een meldnummer in, 144. „Politiek-bestuurlijk kan de minister volhouden dat de dierenpolitie in 2011 operationeel is”, schrijft korpschef Rookhuijzen.

Direct is namelijk ook duidelijk dat de agenten die tot oktober worden opgeleid niet als voltijds dierenagent aan het werk kunnen. Hondengeleiders treden op bij geweld op straat en zien hun honden als wapen. Ze hadden zich al niet vrijwillig aangemeld toen dierenagent er nog bij gedaan kon worden, laat staan dat ze alléén dierenleed willen bestrijden.

Het betekent, schrijft Rookhuijzen op 8 september in een brief aan zijn collega’s, dat „de groep die in oktober haar opleiding afrondt en vrijwel uitsluitend uit hondengeleiders bestaat, op termijn niet [volledig] inzetbaar is als dierenagent.”

De korpsen weten dan dat ze er niet meer onderuit kunnen. Ze gaan vrijwilligers werven. Het is „nadrukkelijk niet de bedoeling om surveillanten op te leiden tot dierenagent”, waarschuwt Rookhuijzen. En de korpschefs moeten agenten, opgeleid of in opleiding, vragen of ze misschien toch niet graag dierenagent willen zijn. Er komt een „extra opleidingsinspanning” en een „action office” bij het Korps Landelijke Politiediensten.

In een reactie erkent een woordvoerder van de korpschefs dat de invoering van de dierenpolitie binnen de politie „kritisch gevolgd” is. Hij zegt dat „regelmatig een professionele discussie plaatsvindt” tussen de korpschefs en het ministerie. En hij bevestigt dat van de eerste tachtig medewerkers die zijn opgeleid als dierenagent, er maar zes als zodanig aan het werk gaan.

    • Esther Rosenberg