De daklozenkrantverkoper

Bij mijn vorige supermarkt had ik het goed geregeld: de daklozenkrantverkoper en ik hadden een glimlach-en-doei-pact. We zagen elkaar, groetten elkaar en dat was het. Zelf leek hij hier ook perfect tevreden mee – ontspannen stond hij daar, de stapel krantjes rustig op zijn arm leunend, alsof hij eeuwig op een denkbeeldig strootje kauwde. Inmiddels

Bij mijn vorige supermarkt had ik het goed geregeld: de daklozenkrantverkoper en ik hadden een glimlach-en-doei-pact. We zagen elkaar, groetten elkaar en dat was het. Zelf leek hij hier ook perfect tevreden mee – ontspannen stond hij daar, de stapel krantjes rustig op zijn arm leunend, alsof hij eeuwig op een denkbeeldig strootje kauwde.

Inmiddels ga ik naar een nieuwe supermarkt en is alles anders.

De daklozenkrantverkoper die voor deze supermarkt staat, groet me niet. Hij kijkt me slechts aan, met een blik die altijd een voorsprong neemt op de toekomst: stille teleurstelling. Waardoor ik iedere keer dat ik bij de supermarkt aankom, het volgende probleem ervaar:

1. O jee. De daklozenkrantverkoper zit er. Moet ik een krantje kopen?

2. Maar als ik nu een krantje koop, denkt hij misschien dat ik er bij elk bezoek een zal kopen. Op het station een keer een krant meenemen is prima, maar bij je eigen supermarkt is dat anders: eenmaal gekocht is de trend gezet. Steeds als ik binnenstap zal hij hoopvol opkijken, me volgen met zijn blik, wachten op de verlossende woorden – waarna ik opnieuw geen krantje koop en mijn karma voor die dag behoorlijk geruïneerd zal zijn.

3. Goed, ik concentreer me op iets anders: menselijk contact. Als ik straks langs hem loop, zal ik proberen extra warm naar hem te glimlachen.

4. Of toch misschien beter van niet: straks ervaart hij een glimlach juist als heel erg denigrerend. En denkt hij: goh, een glimlach. Daar ga ik vanavond eens goed van eten en bovendien mijn beginnende scheurbuik mee genezen. Dankjewel hoor.

5. Moet ik dan toch een krantje kopen? Ik heb ook niet zo’n zin om het te lezen, eigenlijk. Kopen en ongelezen bij het oud papier leggen?

6. Ik heb daarentegen wel nogal zin om een Allerhande te lezen. Maar die staan in een rek vlak naast hem. En eigenlijk is nu een Allerhande pakken hetzelfde als zeggen: ‘Ja, ik heb een huis, een huis met centrale verwarming, waar ik vanavond misschien wel deze stevige pompoen-wortelsoep met komijnzaadjes voor mezelf ga maken, ja.’

7. Misschien heeft hij óók wel gewoon een huis. Misschien komt hij uit Bulgarije of Roemenië en is dit voor hem een handig parttime baantje en verkoopt ie ’s avonds leuke gebloemde telefoonfrontjes op het internet. Vanuit zijn driekamerflatje in Diemen-Zuid.

8. Aan de andere kant: waarschijnlijk niet.

9. Zal ik anders alleen geld geven en geen krant meenemen? Of is dat net zo beledigend als glimlachen – ‘nee, echt, wat geld geven vind ik geen probleem, maar hou alsjeblieft die bagger bij je, ik kan het niet verdragen, alleen al de geur van de goedkope inkt maakt me misselijk’.

10. Weet je: ik koop gewoon de vólgende keer een krantje. Als ik wat meer tijd heb, zodat ik bijvoorbeeld ook thuis de hele Gedichtenrubriek kan lezen.

Waarna ik schuldbewust een groet mompel en snel langs hem loop – wetende dat het de volgende keer precies zo zal gaan.