Openbare steniging van het managementgilde

Auteur: Marcel Metze

Titel: De hoogmoedigen

Uitgeverij: Balans

ISBN: 978 94 600 33780, 96 blz., € 6,95.

M arcel Metze heeft een nieuw boek geschreven. Dit keer geen onthullende studie over een multinational (Philips), een sector (bankwezen) of een politieke partij (CDA), geen uitputtende biografie (Anton Philips) en evenmin een bestelde bedrijfsgeschiedenis (Rijkswaterstaat). Nee, de productieve onderzoeksjournalist schreef dit keer een boek dat eerder een werkstuk moet worden genoemd, of een pamflet.

Het boekje van nog geen honderd bladzijden verscheen eerder deze maand in een serie ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van Metze’s uitgeverij Balans.

De hoogmoedigen beschrijft de opkomst van ‘de manager’ in het bedrijfsleven en de (semi-)publieke sector. Een ontwikkeling, zo blijkt herhaaldelijk, waar Metze van walgt. Managers: er zijn er veel te veel, ze verdienen veel te veel en ze hebben voor veel (collectieve) ellende gezorgd.

Moderne managers, de ‘MBA-types’, zijn ‘behalve egocentrisch, overbetaald en monomaan ook nog eens fundamenteel conservatief’, luidt een van de vele karakterschetsen. Metze wijt de huidige economische problemen onomwonden aan het overmatige zelfvertrouwen van mensen die aan de touwtjes trokken.

Het begon met de bankencrisis van 2008. Bankiers bleken toen niet langer in staat hun eigen vaardigheden en besluiten kritisch te beoordelen. Dat is volgens de auteur een algemeen verschijnsel bij succesvolle carrièremakers. ‘Zij overschatten vaker hun prestaties en oordeelsvermogen naarmate zij hoger klimmen.’ Elders noemt hij andere drama’s die door dit soort gedrag zijn veroorzaakt: de fraudes bij Enron, Ahold en in de bouw.

Metze put voor zijn stellingnames, die voor de huidige generatie bedrijfsleiders als een steniging zullen voelen, veel uit eerder eigen werk en enig wetenschappelijk onderzoek van anderen.

Het boekje heeft een lange aanloop nodig. Metze begint bij de Tweede Industriële Revolutie in de Verenigde Staten, het tijdvak en locatie waar de ontstaansgeschiedenis van de moderne manager begint. Na een tamelijk uitvoerige omschrijving van de ontwikkelingen van het Westerse, op kapitalistische wijze ingerichte bedrijfsleven in de twintigste eeuw, komt de auteur pas halverwege het boek tot de managers op wie het stempel ‘hoogmoedigen’ van toepassing is. Omdat Metze dat zelf ook vaststelt, denkt de lezer even waarom hij alles daarvóór ook heeft zitten lezen.

Het zwakke van de studie van Metze is dat hij generaliseert. Er staan te weinig voorbeelden in van managers die zich werkelijk op schandelijke wijze hebben verrijkt, terwijl ze het bedrijf of dienst waar ze voor verantwoordelijk waren onderuit trokken. Positieve uitzonderingen zullen er ook zijn: bedrijfsbazen die zich wel verantwoordelijk gedragen en zich onbaatzuchtig voor hun bedrijf inzetten. Metze noemt ze niet.

Onduidelijk is dat het onderscheid ontbreekt tussen de grote graaiers uit het beursgenoteerde of door private equity opgejaagde bedrijfsleven enerzijds en topfunctionarissen uit de semipublieke sector anderzijds. Metze springt geregeld heen en weer van topmanagers van grote multinationals naar ambtenaren die zich door privatisering of verzelfstandiging met die captains of industry gingen meten, en zich als eerste stap maar alvast ‘marktconforme’ salarissen toe eigenden.

Aan het eind van zijn college kondigt de auteur het ‘Metze Plan voor Bestuurlijke Wederopbouw’ aan: een alomvattend scenario dat de huidige kaste der topmanagers grondig uitdunt, overtollig geraakte managers omschoolt tot vakmensen en dat de zittenblijvers kritisch denkvermogen bijbrengt. Een nobel streven, waarbij Metze de lezers uitnodigt suggesties te doen, en misschien ook wel een aardig vooruitzicht als dat tot een volgend schotschrift leidt. Maar deze lezer wacht liever op Metze’s volgende boek, een ‘politieke biografie’ over het grootste maar ook minst toegankelijke concern van Nederland, Royal Dutch Shell.

Philip de Witt Wijnen