Kiekendief met vrouwenveren

Dieren proberen zich vaak anders voor te doen dan ze zijn. Een jong hertje gedraagt zich als zijn moeder weg is als een stukje bosgrond: hij houdt zich roerloos stil. Dankzij zijn schutkleur ziet niemand hem. Een dagpauwoog, een vlinder, heeft grote oogachtige vlekken op zijn vleugels, waar vogels die vlinders eten van schrikken. Dat heet mimicri. En er is een inktvisje dat zichzelf kan omtoveren tot zeester, platvis of giftige zeeslang. Het beestje kijkt naar het roofdier dat in hem een lekker hapje ziet en neemt dan de gedaante aan van het dier dat hij niet lust. Een soort supermimicri.

Dat zijn allemaal amateurs. Mannetjeskiekendieven, die je hier in het voorjaar en de zomer boven moerassen kunt zien zweven, hebben zich soms het verenpak aangemeten van vróuwtjeskiekendieven. Dat kunnen ze niet zelf bedenken, zoals dat octopusje, ze krijgen dat verenpak zoals die vlinder, wanneer ze uit het ei kruipen – denken de biologen.

Deze vrouwtjesmannetjes heten in de biologie ‘she-males’, dat is Engels voor ‘zij-mannen’ – misschien dat je vader je er op het internet plaatjes van kan laten zien. Maar wat hebben ze daar nou aan, zul je terecht vragen. Spaanse biologen kwamen er achter dat die zij-mannen wél met vrouwtjes paren en eieren bevruchten. Maar hun verenpak zorgt ervoor dat ze daarbij níet zoveel last hebben van andere mannetjes, die alle mannetjes als grote rivaal zien en daarom willen wegjagen.

Het wordt nóg ingewikkelder. De vrouwtjesmannen gedragen zich ook écht meer als vrouwtjes wanneer er roofdieren in de buurt zijn. Bij de kiekendieven is het zo dat de mannetjes de vrouwtjes opjutten om die roofdieren aan te vallen. En deze vrouwtjesmannen doen dan erg hun best om kraaien en vossen te verjagen, beter dan mannetjes met mannetjesveren.

Maar: als het zoveel voordeel oplevert, waarom krijgen dan niet álle mannetjes vrouwtjesveren? Dat is een groot mysterie. En misschien is dát nu juist zo leuk aan de biologie.

Menno Steketee