Het wachten beu

Klimaatbeleid wordt steeds meer een zaak van burgers en bedrijven zelf

Kleine eilandstaatjes in de Stille Oceaan staat het water aan de lippen. Niet letterlijk, althans nu nog niet. Maar als er niet snel iets gebeurt, vrezen ze te worden verzwolgen door de oceaan, waar ze vaak maar net bovenuit steken.

De eilanden eisen een klimaatverdrag met krachtige maatregelen om de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen. Die broeikasgassen dragen bij aan de opwarming van de aarde en daarmee aan de stijging van de zeespiegel. Alleen een drastische vermindering van de uitstoot van dat soort gassen kan hen nog redden, zeggen de eilandstaten.

Hun hoop is gevestigd op Durban. Daar, in Zuid-Afrika, wordt de komende twee weken de jaarlijkse internationale klimaattop gehouden. Het is de laatste kans om het oude verdrag, het Kyoto-protocol, tijdig te vernieuwen. Als het volgend jaar afloopt is er anders niets meer dat landen dwingt hun broeikasgassen te reduceren.

En echt, de onderhandelaars uit bijna tweehonderd landen zullen alles op alles zetten om het eens te worden. En ze zullen daar niet in slagen.

Bedrijven en burgers zijn intussen het wachten beu. Ze zijn het vertrouwen kwijt in politici die steeds maar weer beloven dat ze de planeet zullen redden. En ze gaan op zoek naar eigen manieren om bij te dragen aan een schonere wereld.

Kom bij hen niet aan met abstracte verhalen over emissiereductie of de gevolgen van houtkap voor het broeikaseffect. Ze denken praktisch. Waarom zouden zij – in de VS – wonen in een huis met vijf slaapkamers, terwijl ze er maar twee nodig hebben? Zij merken – in Afrika – dat ze door het planten van bomen hun oogst vergroten en de bodem gezond houden. En zij veranderen hun dorp – her en der in de wereld – in een moestuin met eigen energievoorziening.

Zelfs Yvo de Boer, de Nederlandse oud-klimaatchef van de Verenigde Naties en tot voor kort verantwoordelijk voor de onderhandelingen, zei deze week in een door deze krant georganiseerd klimaatdebat, dat burgers en bedrijven beter niet kunnen wachten op een alomvattend, juridisch bindend klimaatverdrag.

Maar als er al zoveel gebeurt, en onderhandelingen op wereldniveau zo moeizaan gaan, is zo’n verdrag dan nog wel nodig? Juist veel bedrijven vinden van wel. Terwijl de klimaatonderhandelingen verlamd worden door de vrees van landen dat ze met hun milieubeleid de economie in gevaar brengt, beseffen zij heel goed dat ze niet lang meer kunnen potverteren op kosten van de toekomst. Ondernemers dringen aan op strenge, voor allen gelijke regels.

Over de uitgangspunten voor die regels is de wereld het wel eens: voorkom dat de aarde meer dan 2 graden Celsius opwarmt, en zorg daarom dat de concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer niet uitkomt boven de 450 ppm (delen per miljoen). Onder die uitgangspunten hebben bijna alle landen hun handtekening gezet op de tumultueuze klimaatconferentie in Kopenhagen in 2009.

Probleem is alleen dat met de beloftes die op tafel liggen, die doelstelling bij lange na niet wordt gehaald.

Als we zo doorgaan wordt vanaf 2017 alle uitstoot van broeikasgassen opgebruikt door energiecentrales en fabrieken die er al staan, zegt het Internationaal Energie Agentschap. Maar er komen juist steeds centrales bij – in China, maar ook bijvoorbeeld in Nederland.

De cijfers tonen hoe groot de belangen zijn. Alleen: Malawi pleit voor een ander akkoord dan Brazilië, de Verenigde Staten verzetten geen stap zonder China, etc. etc.

En Tuvalu, Fiji, de Malediven en al die andere kleine eilanden maar hopen dat ze ook aan het eind van de eeuw nog bestaan.

Paul Luttikhuis