Europa er op of er onder

Tot nu toe verloopt in de eurozone alles anders dan verwacht. Daarin zal komende maand geen verandering komen met een reguliere eurotop op 9 december in Brussel en haastige minitopjes tussendoor. Maar één ding staat vast. De oudjaarsconferenciers moeten tot het laatst alert blijven. In december wordt het ‘erop of eronder’ voor de euro. De tijd van de schuldvragen – over bankiers, gebrekkige regulering, cultuurverschillen – is nu toch wel voorbij.

Die overgang van verleden naar toekomst valt niet mee, zo bleek afgelopen week weer. Dat na Moody’s nu ook Fitch de Portugese kredietwaardigheid donderdag afwaardeerde naar ‘junkstatus’ lag in de lijn der verwachtingen. Dat de rente op Belgische obligaties steeg, was niet raar. De leiders in België vroegen er bijna om met hun voorliefde voor politieke crisis.

Maar dat Dexia eergisteren moest aankloppen bij verschillende centrale banken was al omineuzer. En dat goudgerand Duitsland woensdag maar tweederde van een pakket staatsobligaties wist te slijten, was ook opmerkelijk. Kortom en voor wie het nog niet wist: de schuldencrisis is een systeemcrisis en in die systeemcrisis staan het voortbestaan van de euro als munt en zo de unie op het spel.

De inzet is dus ongekend. Niemand weet wat de redding van de euro gaat kosten. Niemand weet wat de prijs zal zijn als we de boel uit elkaar laten vallen. Er zijn hooguit historische precedenten van een eenheidsmunt die wordt opsplitst. Voor laatst met de sovjetroebel in 1991. Weliswaar lijkt de EU niet op de Sovjet-Unie – in politieke noch economische zin – maar zelfs een zwakke variant op die ervaring is al onheilspellend.

Haast is geboden. De paradox is echter dat de financiële markten altijd rapper handelen dan politieke gremia. In deze wedloop delven de nationale staten qua tempo altijd het onderspit. De regeringen moeten het hebben van het bieden van reële en vooral duurzame perspectieven. Maar die zijn er wel, al zal het rijkere noordwesten veel moeten slikken voordat er een nieuw constitutioneel Europees Verdrag op tafel ligt, op basis waarvan Europese obligaties denkbaar worden.

Voor een verdragswijziging, die een supranationaal Europees economisch bestuur met sanctionerende bevoegdheden mogelijk maakt, hebben de regeringsleiders afgelopen maand al een aantal aanzetten gegeven. Nieuwe bepalingen zijn onontbeerlijk om de machtsverhoudingen, die nu in de realiteit ontstaan, dwingend in te kaderen. De formulering zal een lijdensweg worden. Maar moet wel kunnen. Laten we niet vergeten dat er in zes van de zeventien eurolanden (Portugal, Griekenland, Ierland, Slowakije, Italië en Spanje) regeringen zijn gesneuveld op de schuldencrisis. Er is dus kennelijk nu al indirect sprake van disciplinerende pressie.

Ook het uitgeven van eurobonds is op termijn onvermijdelijk, ondanks het niet aflatende verzet van met name de Nederlandse regeringspartij VVD. Het gaat zo langzamerhand niet meer om de vraag óf er euro-obligaties komen maar wanneer en hoe ze in de markt worden gezet. Zo circuleert het idee om de uitgifte ervan te maximeren op 60 procent van het bruto binnenlands product.

Zelfs de Duitse regering lijkt binnenskamers wat te wennen aan het idee. Dit illustreert dat de handelingsvrijheid van Duitsland, hoewel machtiger dan ooit de afgelopen 65 jaar, juist afneemt naarmate de crisis zich verdiept. Ook alle andere regeringen zullen moeten nadenken over de vraag hoe hun nationale belangen zich verhouden tot het voortbestaan van de euro. Dat is veel gevraagd. De kiezer is hard. Maar in crisis zijn offers onvermijdelijk.

De scepsis en ongeloofwaardigheid die Europa nu tekenen, moeten kunnen zo worden overwonnen. Daarbij kunnen eurobonds helpen. Net als een rol voor het Internationale Monetair Fonds als bewaker van budgettaire discipline in de lidstaten, zolang er nog geen herzien eigen Europees verdrag is.

De eurozone moet hoe dan ook ophouden om zijn eigen zwakte te verhullen met noodverbanden die steeds maar niet blijken te werken. Europa speelt nu toneel, heel slecht toneel zelfs.