Een muur tegen de droogte

Afrikaanse leiders willen met een Grote Groene Muur van Senegal naar Djibouti de oprukkende droogte tegenhouden. Geen slecht idee, zeggen deskundigen, alleen moet het geen 15 kilometer brede muur van bomen zijn, maar een mozaïek van projecten door de hele Sahel.

Aanvankelijk wisten de vrouwen niet zeker of ze het wel konden. En of het hun taak wel was. Veel dorpelingen waren ook die mening toegedaan. Kuilen graven, bomen planten, leiding geven – dat was toch mannenwerk?

„Iedereen verklaarde ons voor gek”, zegt Nakho Fall, een gedrongen, levendige vrouw in een rood-witte jurk.

Met een tiental buurvrouwen zit ze in de schaduw van een boom in Koutal, een dorp in West-Senegal. Op de zandpaden tussen de huisjes scharrelen geiten. Om 11 uur ’s ochtends is het al snikheet, maar vergeleken met de zomerse vochtigheid die er over een maand zal heersen, is het weer van vandaag nog heilig.

Geen van de vrouwen kent de term klimaatverandering, maar volgens iedereen is het weer in Koulta de laatste jaren onaangenamer geworden. Door de aanhoudende droogte zijn bomen doodgegaan en is de bodem dor en hard geworden.

Ook is de grond verzilt. Weliswaar ligt Koulta op tachtig kilometer van de Atlantische Oceaan, maar twee ‘zeearmen’ reiken helemaal tot aan het dorp. Door de stijging van de zeespiegel is het zeewater doorgedrongen tot het grondwater van Koutal en is het zoutgehalte toegenomen, zegt landbouwvoorlichter Adama Kone.

„Proef maar”, zegt een van de vrouwen, en ze duwt haar wijsvinger in de krijtwitte aarde. „Dan zult u zien dat het waar is wat wij zeggen.”

In weerwil van de plaatselijke vooroordelen besloten de vrouwen voor hun dorp te vechten. Met zaailingen en technische deskundigheid bekostigd door buitenlandse donors hebben ze in zes jaar tijd 290 hectare barre grond omgevormd tot een bloeiende plantage. Nu oogsten ze hout dat ze op lokale markten verkopen en telen ze gierst. De inkomens zijn aanzienlijk gestegen en de vrouwen zien de toekomst met nieuw zelfvertrouwen tegemoet.

„We zijn heel trots dat onze kinderen van deze grond zullen profiteren”, zegt Adam Ndiaye, een joviale oma. „En dat ze dan weten dat dit werk door vrouwen is gedaan.”

De vrouwen van Koulta wisten nergens van, maar met de aanplant van bomen legden ze een deel aan van de Grote Groene Muur van Afrika, zoals de pleitbezorgers deze noemen. Nu is die muur voorlopig meer visioen dan werkelijkheid. Maar áls hij er komt, en afhankelijk van de versie die wordt aangelegd, kan de Grote Groene Muur een doorbraak voor Afrika zijn – een baanbrekende stap vooruit tegen klimaatverandering, armoede en honger.

De hongersnood die nu in de Hoorn van Afrika heerst, is de jongste verwijzing naar iets wat geleerden al lang beweren: Afrika zal het eerst en het ergst te lijden krijgen van de extra warmte en droogte door de klimaatverandering in de komende decennia.

Klimaatverandering is natuurlijk niet de enige oorzaak dat eind dit jaar volgens de Verenigde Naties 750.000 mensen – voor de helft kinderen – in de Hoorn zullen omkomen. Somalië, het epicentrum van de hongersnood, wordt al jarenlang geteisterd door een burgeroorlog en een regering die niet functioneert.

Maar deze hongersnood is nog verhevigd door de ergste droogte die de Hoorn in zestig jaar heeft getroffen – een droogte die ook toesloeg in de buurlanden Kenia en Ethiopië, twee relatief vreedzame en stabiele landen.

Nu Afrika naar verwachting de komende jaren nog warmer en droger wordt, is er behoefte aan tegenmaatregelen. Zoals er ook behoefte is aan nieuwe ideeën. Niet de noodhulp die westerse regeringen en burgers een goed gevoel geeft, zonder de oorzaken van de honger aan te pakken. Maar echte oplossingen, die de Afrikanen zullen helpen benarde omstandigheden te ontlopen.

Dat is een van de redenen voor de Grote Groene Muur. Het oorspronkelijke plan, zoals voorgesteld door de Nigeriaanse president Olusegun Obasanjo in 2005, was heel concreet: plant over de hele breedte van Afrika een 15 kilometer brede strook bomen om te voorkomen dat de Sahara zich door de klimaatverandering naar het zuiden uitbreidt. Van Senegal in het westen tot Djibouti in het oosten zou deze bomenmuur het dichtbevolkte deel van de Sahel beschermen, zo werd gezegd, en daarmee de tientallen miljoenen mensen die kampen met dezelfde warme, dorre omstandigheden als in Koutal.

In 2007 sloten Afrikaanse en Europese leiders het Afrika-EU-partnerschap inzake klimaatverandering, dat van de Grote Groene Muur een van de belangrijkste actiepunten maakte. Maar er kwam ook kritiek.

Het plan zou, volgens hulporganisaties en wetenschappers, te veel van bovenaf worden opgelegd. Het zou ook te weinig rekening houden met de ecologie en de lokale bevolking. Het komt neer op de aanleg van een enorme bomenplantage over duizenden kilometers dorre Afrikaanse grond. Zoiets is gedoemd is te mislukken, waarschuwen critici. Jonge bomen hebben namelijk zorg nodig, die de lokale bevolking moet geven. En dan is de noodzakelijke irrigatie nog niet genoemd, waarvoor vaak geen voorzieningen zijn.

„In de jaren zeventig werd een soortgelijk idee een rampzalige mislukking”, zegt directeur-generaal Dennis Garrity van het World Agroforestry Centre, een internationaal landbouwkundig onderzoeksinstituut. „Het klonk de staatshoofden goed in de oren en de buitenlandse financiering was een grote geldmachine voor de bosbouwministeries van Afrikaanse regeringen. Bosbouwministeries hebben miljoenen bomen geplant. Maar natuurlijk was het overgrote deel al snel dood.”

Voor Garrity heeft de Grote Groene Muur vooral een symbolische, maar daarom niet niet minder ambitieuze betekenis, want geënt op een lokaal gedragen, wetenschappelijke aanpak van duurzame ontwikkeling. De aanplant van bomen wordt geïntegreerd in de lokale voedselproductie en levensomstandigheden, zoals in Koutal. Dus meer een mozaïek van projecten door de hele Sahel, dan een keurige ‘muur’ over de breedte van het continent.

Succesverhalen zijn er genoeg. Kleine, zoals van de vrouwen in Koutal. En grote, zoals de hervergroening van maar liefst 5 miljoen hectare land in de westelijke Sahel door arme boeren die geen bomen planten, maar ze wel op hun land met gierst en sorgo laten groeien, zodat het grondwaterpeil stijgt en de oogst verdubbelt.

Garrity noemt zulke technieken ‘altijdgroene landbouw’. Bomengroei tussen de gewassen maakt volgens hem in Afrika een comeback. Deze ‘mengteelt’ berust op het groene dek dat bomen met hun bladeren het hele jaar over akkerland leggen en op de verbetering van de bodemstructuur, de vruchtbaarheid en de wateropname. Allemaal essentiële zaken in tijden van klimaatverandering.

Het idee van de Grote Groene Muur is te goed om te laten mislukken, zeggen voorstanders. Maar kunnen de belanghebbenden – Afrikaanse en Europese overheden, ontwikkelingsorganisaties uit het noorden, hulporganisaties in Afrika en Europa en gewone Afrikanen – elkaar vinden in een gezamenlijke visie? En kunnen ze de middelen bijeenbrengen om deze ook te realiseren?

De Afrikaanse staatshoofden hebben steeds vastgehouden aan de letterlijke versie van de Grote Groene Muur, de EU en andere donors vrezen dat deze niet levensvatbaar is en plaats moet maken voor de figuurlijke.

Afgezien van de vrees dat de letterlijke versie eerder de Afrikaanse bosbouwministeries dan de lokale gemeenschappen zal verrijken, berust deze versie ook op een fundamentele wetenschappelijke vergissing. Uit satellietbeelden blijkt volgens Gray Tappan van de Amerikaanse geologische dienst dat de Sahara helemaal niet als een golf naar het zuiden oprukt, maar dat „op veel specifieke plaatsen ernstige bodemaantasting is ontstaan door slecht grondbeheer.”

Dat maakt een Grote Groene Muur niet tot een slecht idee – bodemaantasting in de Sahel blijft een ernstig probleem. „Maar we moeten ons op die aangetaste plekken concentreren”, zegt Tappan, „niet op de hele grens tussen de Sahara en de Sahel.”

„De Grote Groene Muur is voor de lokale bevolking en moet ook door de lokale bevolking worden aangelegd”, zegt ook Abdoulaye Dia, het hoofd van de Pan-African Agency voor de Grote Groene Muur. „Dat is onze stelregel.”

Als geoloog begrijpt hij de wetenschappelijke argumenten tegen de letterlijke versie van de ‘muur’. Maar hij moet voorzichtig zijn om zich niet te vervreemden van de Afrikaanse staatshoofden die hem hebben aangesteld.

Volgens Dia is er geen enkel verschil van inzicht over de Grote Groene Muur. Maar, voegt hij eraan toe, een behoedzame omgang met de verschillende invalshoeken is politiek verstandig. „Het aanvankelijke idee was dat de Grote Groene Muur een muur moest zijn. Hadden de geleerden toen gezegd: ‘Nee, een muur is niet goed’, dan was er in elk geval niets van terechtgekomen.”

Veel westerse donors denken er inmiddels net zo over. „We proberen de Grote Groene Muur niet opnieuw te definiëren”, zegt Garrity. „Die is politieke realiteit. Het gaat er om dat er in de hele Sahel ruimte komt voor waardevolle projecten.”

Met andere woorden: laat de politici het noemen zoals ze willen, wij gaan gewoon aan de slag en doen wat wetenschap en praktijk vragen. Dan moeten de resultaten maar voor zichzelf spreken.

En wat zegt Garrity tegen westerlingen die vraagtekens zetten bij de financiering van dit soort verre projecten? „Betaal nu een paar cent om later geen miljarden kwijt te zijn. De Sahel is door voedselonzekerheid en gebrek aan economische mogelijkheden op weg naar een sociale explosie. Al-Qaeda is er nu al aan het werven. Wij moeten een beter alternatief bieden.”

Mark Hertsgaard