De Nederlander is geen navelstaarder

Nederland keert zich naar binnen, oordelen sommige ambassadeurs. Is dit waar? Diverse onderzoeken wijzen anders uit. De gemiddelde Nederlander is niet zozeer provinciaals, maar vooral pragmatisch, aldus Herman Vuijsje.

Nederland? Een provinciaals land. Dat was het oordeel van acht buitenlandse ambassadeurs in deze krant van 29 oktober. Stuk voor stuk toonden zij zich bezorgd en verbaasd over het „navelstaarderige” Nederland. Ze waren het erover eens dat Nederland een in zichzelf gekeerde en verwarde natie is geworden, een land dat bang is voor buitenlanders en zich, aldus de Britse ambassadeur, steeds verder afsluit voor de buitenwereld.

Hebben deze ambassadeurs de tekenen des tijds vanuit hun Haagse residenties goed verstaan? De afgelopen weken verschenen er twee onderzoeksrapporten die daar licht op kunnen werpen: De Sociale Staat van Nederland 2011, het tweejaarlijks trendrapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), en de gisteren gepresenteerde Atlas of European Values, het negenjaarlijks vergelijkend onderzoek naar waarden in Europese landen.

Is Nederland in de war? Als dat zo is, moet het een gelukzalig soort verwarring zijn. Nederland staat boven aan de Europese ranglijst van gelukkigste landen. De gelukkigste Europeaan is een universitair opgeleide, gehuwde, goed verdienende Nederlander. Ook in hun sociale relaties nemen Nederlanders een benijdenswaardige positie in. Samen met de inwoners van Scandinavische landen en Zwitserland blinken ze uit in vertrouwen in de medemens. Nederland is een high trust society en het SCP voorziet dat dit vertrouwen nog verder zal toenemen.

Het stabiel positieve mensbeeld dat uit deze gegevens naar voren komt, hangt samen met onze economische voorspoed. Nederland is behalve het gelukkigste land ook een van de rijkste landen van Europa en economische zekerheid baart vertrouwen, maar er zijn ook andere factoren in het spel. In andere welvarende landen, zoals België, Luxemburg en Oostenrijk, is het vertrouwen in de medemens juist laag.

Te midden van de Europese naties lijken Nederlanders zich dus eerder te onderscheiden door onverstoorbaarheid en door goedgemutstheid dan door verwarring. Wel maken ze zich zorgen over de toekomst. Slechts een kwart vindt dat het met Nederland de goede kant op gaat. ‘Met mij gaat het goed, met ons gaat het slecht’, zoals het SCP de stemming in het land twee jaar geleden al kenschetste.

De tweede en belangrijkste bewering van de ambassadeurs is dat Nederland zich afsluit van de buitenwereld. Volgens de Britse ambassadeur is ‘Henk’, van Henk en Ingrid, bangig voor immigranten. Had hij de Europese waardenatlas kunnen inkijken, dan had de ambassadeur zich misschien wel even bedacht voordat hij dit zei. Niet Nederland, maar Groot-Brittannië komt hierin naar voren als grootste angsthaas van West-Europa op het gebied van immigratie.

‘Er zijn te veel buitenlanders in mijn land’ – 55 tot 70 procent van de Britten onderschrijft deze stelling. In Nederland – met een feitelijk percentage immigranten dat ongeveer gelijk is aan het Britse – is 40 tot 55 procent het ermee eens.

Hetzelfde beeld komt naar voren bij andere vragen over immigratie. Britten zeggen vaker dan Nederlanders dat immigranten uit minder ontwikkelde landen niet welkom zijn en dat immigranten banen stelen van autochtone inwoners. Bijna de helft van de Britten voelt zich door de aanwezigheid van immigranten wel eens ‘vreemdeling in eigen land’, tegen ruim een kwart van de Nederlanders.

Nederlands andere buurlanden, België en Frankrijk, scoren op de meeste van deze vragen ergens tussen Nederland en Groot-Brittannië in. Terwijl de Britten zich binnen West-Europa negatief onderscheiden, doen de Nederlanders dat in positieve zin. Het duidelijkst blijkt dit als wordt gevraagd of je voorouders de nationaliteit van je land moeten hebben om je een echte inwoner van dat land te kunnen noemen. Van de Britten vindt een derde dat ‘heel belangrijk’. Nederlanders vinden de vraag alleen al belachelijk en eindigen helemaal onder aan de lijst van 46 Europese landen. Slechts 5 procent vindt de voorouderkwestie heel belangrijk.

De uitlatingen van de Britse ambassadeur lijken vreemd, maar zijn verklaarbaar. Vooral na de moord op filmmaker en columnist Theo van Gogh, in 2004, en de daarop volgende opkomst van de PVV verloor een belangrijke stroming van Nederlandse intellectuelen en opiniemakers zich in een golf van zelfkastijding. Met ijzeren consequentie verkondigden zij dat Nederland ten prooi viel aan intolerantie en vreemdelingenhaat en dat het werd aangevreten door racisme.

Het lijkt erop dat veel gewone Nederlanders dit uiteindelijk zelf ook zijn gaan geloven. Het mechanisme voltrekt zich dan langs dezelfde lijnen die het SCP schetste voor de opinie van Nederlanders over het algemene klimaat in ons land, ‘met mij gaat het goed, met ons gaat het slecht’. Toegepast op de problematiek van immigratie en integratie wordt dit: ‘Zelf ben ik niet bang voor vreemdelingen, maar de meeste anderen zijn dat blijkbaar wel.’

Het heeft er alle schijn van dat de ambassadeurs zich op hun beurt hebben geconformeerd aan die keten van op hol geslagen gedachtenvorming.

Op hol geslagen – dat geldt ook voor de meer algemene uitspraak van de ambassadeurs dat Nederland zich afsluit van het buitenland. Volgens de Eurobarometer (een enquête van de Europese Commissie van februari/maart 2010) behoren Nederlanders juist tot de meest internationaal georiënteerde Europeanen. In hun persoonlijke relaties en levensstijl voelen ze zich sterk – ook sterker dan de Britten – verbonden met andere landen.

Nederlanders kruipen dus helemaal niet in benepenheid weg achter hun dijken, maar de Eurobarometer voegt hieraan een interessante observatie toe. Nederlanders voelen zich slechts in geringe mate ‘Europeaan’. In de meeste Noordwest-Europese landen gaf het ‘Europagevoel’ de afgelopen twintig jaar een flinke groei te zien. In Nederland bleef dit gevoel stabiel.

Ook met het politieke concept ‘de Europese Unie’ voelen wij ons veel minder verbonden dan de meeste landen in de Europese Unie. In de toekomst zal dit misschien nog minder worden. In bijna alle EU-landen voelen jongeren zich meer verbonden met de EU dan ouderen. In Nederland is dit andersom. Nederlandse jongeren scoren op dit punt zelfs het laagst van de hele EU, inclusief het Verenigd Koninkrijk.

Zet Nederland zich hiermee alsnog te kijk als eurofoob? Integendeel – meer dan tweederde van de Nederlanders is voorstander van het EU-lidmaatschap. Dit is een topscore. Het punt is, zeggen de schrijvers van de Europese waardenatlas, dat de EU een „verstandshuwelijk” is. Het concept werkt, maar de liefde die mensen ervoor zouden kunnen voelen, laat staan de passie, is ver te zoeken. Voor Nederland lijkt dit te gelden in bijzondere mate.

Het SCP omschreef Nederlands geestesmerk in het laatste deel van de vorige eeuw graag zalvend als „prudent progressief”. In onze dagen lijkt eerder het etiket ‘pragmatisch progressief’ of domweg ‘pragmatisch’ op zijn plaats. Nederland heeft zijn hoge pretenties als gidsland, het land waar alles kan en waar iedereen welkom is, opgegeven. Dit getuigt niet van verwarring, maar van aanpassingsvermogen. Nederland is simpelweg een normaal Noordwest-Europees land geworden.

Pragmatisme lijkt hierbij een belangrijke richtlijn. ‘Henk’ let ook op zijn portemonnee en bepaalt met een blik daarop zijn houding tegenover Europa. Voor zijn ideeën over immigratie en integratie geldt iets dergelijks. Nederlanders zijn minder gastvrij geworden voor nieuwe immigranten, maar onderscheiden zich daarin niet ongunstig van andere Europese landen en geven weinig blijk van etnische vooringenomenheid.

Op de vraag wat ze het meest bedreigend vinden aan de aanwezigheid van immigranten, antwoorden ze nuchter: de verhoogde criminaliteit. Slechts een op de tien Nederlanders vindt immigratie en integratie het belangrijkste probleem van nu. Dit cijfer is de laatste jaren stabiel en verschilt niet per opleidingsniveau.

Henk is niet „bangig”, zoals de Britse ambassadeur dacht. Hij heeft alleen geen zin meer om Gekke Henkie te spelen, that’s all.

Hollandse Henk wordt een gewone Europeaan. Dat is even wennen.

Herman Vuijsje is journalist en socioloog.