Burgerschap

Wanneer me weer eens gevraagd wordt wat ik vind van het idee van burgerschap als middel om een versplinterde samenleving te binden, verwijs ik graag naar het Amsterdamse Kleine Gartmanplantsoen. Daar heb je twee eerbiedwaardige instituten recht tegenover elkaar – debatcentrum De Balie en de populaire uitgaansgelegenheid Palladium. Ze trekken een divers, multicultureel publiek. Bij De Balie wordt nu al zo’n dertig jaar gediscussieerd over ‘nieuw burgerschap’. Bij het Palladium luidt het adagium: gedraag je een beetje.

U begrijpt waar ik liever kom.

Burgerschap. In discussies over de multiculturele samenleving is burgerschap, of nog beter, nieuw burgerschap, de vluchtheuvel waarop we elkaar weer vinden. De samenleving mag als los zand aan elkaar hangen, we hebben allang geen gedeelde achtergrond meer, cultureel lijken de verschillen vaak genoeg onoverbrugbaar – gelukkig hebben we ons burgerschap nog. Iedereen doet maar wat hij wil, zolang het binnen de grenzen van de wet is. Het maakt niet uit of je joods-christelijke wortels hebt of niet. Lokale affiniteiten, culturele achtergrond, religieuze overtuigingen, morele principes, je doet maar wat je niet laten kunt – zolang je er maar een idee van burgerschap op na houdt.

Burgerschap waarvan?

Zodra je die vraag stelt, beginnen de problemen. Veel kwesties die Nederland het afgelopen decennium in een wurggreep hebben gehouden, hebben te maken met bedreigde identiteit en culturele eigenheid. Dat is het misverstand: niet zozeer de rechtsstaat staat ter discussie,als wel het vermogen van de rechtsstaat om die vermeende dreigingen het hoofd te bieden. De Nederlandse samenleving staat onder druk van globalisering en immigratie. Die druk heeft ‘cultuur’ tot een allesoverheersende obsessie gemaakt.

Tot voor kort lag het zwaartepunt bij immigratie en richtte de obsessie zich op de dreiging van de islam. De afgelopen maanden heeft de obsessie, door de Europese schuldencrisis en een paar pijnlijke gebeurtenissen in Noorwegen en Duitsland, zich naar de schadelijke effecten van de Europese eenwording verplaatst.

De eerste emotie werd samengevat in de uitroep van de bejaarde Limburgse PVV-stemmer op de avond van de Statenverkiezingen: „Minder moskees, meer carnaval!” Vervolgens verschoof de boel en moest de drachme terug naar Griekenland. Sinds een paar weken moet de gulden weer naar Nederland.

Ik moet glimlachen wanneer ik licht verontwaardigde economen in praatprogramma’s hoor uitleggen dat terugkeer van de gulden geen reële optie is. Dat we er de problemen niet mee buiten de deur houden en dat het ons uiteindelijk meer kost dan het oplevert. Dat zijn rationele overwegingen – en in dit geval doen rationele overwegingen er niet toe. Het gevoel van dreiging doet mensen terugvallen op hun culturele eigenheid. De gulden is een symbool daarvan, net als carnaval. De gulden is cultuur. De euro is het probleem.

Cultuur en identiteit – de grote blinde vlek van de weldenkenden.

Wat Nederland en Nederlandse cultuur is, het is inmiddels helemaal het terrein van populisten, die deze begrippen vrolijk exploiteren. Dus praten de weldenkenden over burgerschap in plaats van Nederlanderschap – want dat laatste woord klinkt al gauw verdacht, of nog erger, oubollig. Maar niet iedere vorm van nationale identiteit bedient zich van uitsluiting en verkettering. Welk begrip zou de Afghaanse Sahar en de Angolese Mauro meer aanspreken: Nederlanderschap of burgerschap?

Daarbij, vrijwel altijd wordt burgerschap op een bevoogdende wijze gebruikt. Zelden of nooit betrekt de spreker het op zichzelf. Wie Nederlands burger wil worden, moet de kernwaarden van onze samenleving onderschrijven, heet het. Nog nooit heb ik iemand horen zeggen: ik onderschrijf de kernwaarden van deze samenleving. Het zijn altijd de anderen van wie dat wordt verwacht – de anderen voor wie we stiekem een beetje bang zijn.

Zo vorm je geen samenleving. Burgerschap is geen verlicht begrip in duistere tijden. Het is een angstig en leeg woord.