brieven

VS zijn toch niet rijk geworden door de markt

Met zijn lofzang op de vrijhandel (Opinie, 22 november) impliceert Frits Bolkestein dat alle rijke landen rijk zijn geworden door vrijemarktbeleid. Is het niet veeleer zo dat de meeste landen die nu rijk zijn, inclusief Groot-Brittannië en de Verenigde Staten – die aan de basis hebben gestaan van vrijhandel en vrije markten – rijk zijn geworden door een combinatie van protectionisme, subsidies en andere maatregelen waarvan ontwikkelingslanden zich volgens de heersende leer dienen te onthouden? Een beleid gericht op vrijhandel en de vrije markt, dat in ontwikkelingslanden heeft geleid tot groeivertragingen en tot grotere ongelijkheid, heeft tot nu toe maar weinig landen rijk gemaakt. Dit zal het ook in de toekomst niet doen.

Mr. W.B. Schuller

Vleuten

Waarom steken Nederlanders geen asperges?

Leider Job Cohen van de PvdA miskent dat het in Nederland juist wel mogelijk is dat iemand in zijn levensonderhoud kan voorzien door gebruik te maken van zijn talenten (Opinie & Debat, 19 november). Ook laagopgeleiden kunnen hard werken en daarmee een inkomen verwerven. Cohen ziet niet dat mensen die met hard werken een inkomen verdienen dat maar iets hoger is dan de bijstand feitelijk ‘losers’ zijn, zeker in de ogen van degenen die met een uitkering thuis zitten! Waarom zou je 160 uur per maand hard werken in een fabriek, of op het land, als je maar een paar honderd euro per maand – minimumloon 1.435 euro en bijstand 1.239 euro – meer verdient dan iemand die de hele dag thuiszit met een uitkering?

Er is veel voor te zeggen om het verschil tussen werken en thuis zitten met een uitkering groter te maken. Werken loont vaak niet. Hoe is anders te verklaren dat mensen met een uitkering niet bereid zijn om tien kilometer verderop asperges te steken en dat een Pool hiervoor duizend kilometer reist? Laat Cohen dat nu eens uitleggen.

Vrijwel iedereen in Nederland krijgt kansen om met zijn talenten iets te bereiken. Sommigen kiezen er evenwel voor om deze te verprutsen. Ik werk in het mbo en zie dagelijks dat jongelui een stageplaats en een opleiding wordt aangeboden en dat ze er vervolgens met de pet naar gooien. Ze krijgen kansen, maar grijpen ze niet. Soms zit hun privésituatie niet mee. Meestal is het onwil om iets te bereiken. Nederland is toe aan méér meritocratie.

F. van Berkel

Hilvarenbeek

Zorg voor tevredenheid in het werk van de mens

Het was een goed stuk van Job Cohen. Wat mij evenwel enigszins tegen de borst stuit, is dat hij het functioneren van mensen uitsluitend toetst aan de mate waarin zij wel of niet hun talenten benutten en de prestaties die ze daarmee kunnen leveren. Hieruit volgt een conclusie en ideaalbeeld: „Iedereen moet zich gezien en gerespecteerd weten door anderen.” Dit is – toegegeven – iets anders dan het streven naar de hoogste plaats op de apenrots, op de hiërarchische piramide waartoe de meritocratie zou moeten leiden, maar is het niet veel belangrijker dat ieder mens aan het verrichten van werk een tevredenheid ontleent, dat hij/zij voelt dat hij met ervaring en wellicht deskundigheid iets goed doet, dat het vak wordt beheerst, dat hij daaruit een voldaanheid kan afleiden die zelfvertrouwen geeft? Zo ontstaan goede en waardevolle burgers, die meer zijn dan alleen maar een tandwieltje in een groter raderwerk. Wie vertrouwen in zichzelf heeft, is meestal weerbaar en sociaal. Bij het zoeken naar dat soort werk moeten sommigen wellicht worden geholpen, maar laat dat dan het uitgangspunt zijn.

Peter J. van Helsdingen

Oegstgeest

Red de film. Voer een downloadverbod in

Stel, u loopt een winkel binnen en neemt een dvd mee zonder te betalen. Dit heet diefstal. Als u diezelfde film evenwel zonder te betalen downloadt van internet – een film waarin producenten en distributeurs miljoenen hebben geïnvesteerd en waarvan talloze makers afhankelijk zijn voor hun inkomen – moet dat kunnen. „De industrie” bestaat immers uit „profiteurs van het huidige auteursrecht”.

Tegen deze dwaze logica, waarvan het artikel van Danny Mekic’ (Opinie, 22 november) getuigt, past maar één middel: een downloadverbod. Dit biedt de filmindustrie de mogelijkheid om langs civielrechtelijke weg niet de individuele downloader aan te pakken, maar juist grote uploadsyndicaten als The Pirate Bay. Wij moeten wel. Internetproviders weigeren al jaren met ons samen te werken in de strijd tegen piraten. De industrie moet zich beschermen tegen massale diefstal.

Mekic’ beweert dat de industrie de internetconsument geen alternatief biedt. Dit is niet waar. Het aanbod van video-on-demand groeit met de dag. Via bijvoorbeeld ximon.nl kan iedereen tegen betaling Nederlandse en buitenlandse films thuis bekijken. Er zullen meer van zulke initiatieven op de markt komen. De filmindustrie werkt natuurlijk eraan mee, omdat we de consument willen bedienen en omdat het een nieuwe inkomstenbron is.

Eén vraag blijft open. Als er goede alternatieve betaalmodellen voor onlinefilm en -muziek zijn, zoals Spotify, wat doen we dan met de consument die nog steeds zonder te betalen downloadt? Hoe wordt de maker, de artiest dan beschermd? Hij kan immers niet meer verschuilen achter het argument dat ‘de industrie’ niet meewerkt. Of meent Mekic’, als zo velen, dat alle content op internet gratis moet zijn, wat de economische gevolgen voor hele bedrijfstakken ook moge zijn ?

Alleen een downloadverbod kan een eind maken aan de perverse cultuur van ‘alles is gratis’ op internet. Anders zijn er straks geen films meer om te downloaden.

Michael Lambrechtsen

Directeur Nederlandse Vereniging van Filmdistributeurs

Documentairemakers zijn juist zeer ambitieus

Raymond van den Boogaard (NRC Handelsblad, 21 november) verwijt Nederlandse documentairemakers een gebrek aan ambitie om schrijnende en belangrijke onderwerpen aan de orde te stellen. Hij bekritiseert een aantal films die volgens hem vertegenwoordigers zijn van een „gezellige esthetiek”, maar hij laat documentaires buiten beschouwing als Beer is Cheaper than Therapy, over de psychische nood van oorlogsveteranen, Justice for Sale, over het falende rechterlijk systeem in Congo, 900 Days, over het lijden van de bevolking van Sint-Petersburg tijdens de belegering van de stad, of onze film Jerome Jerome, die toont welke offers het kost om op een liefdevolle manier te zorgen voor gehandicapte kinderen. De bekritiseerde documentaire About Canto stelt een belangrijk onderwerp aan de orde: de waarde van kunst. In een maatschappij die zienderogen verarmt, omdat alle aspecten van ons leven alleen maar aan materiële winst worden gemeten, maakt deze film een belangrijk statement. Gozaran – Time Passing, over de Iraanse dirigent Mashayekhi, toont waar we terechtkomen zonder kunst en verfijning: letterlijk in de woestenij.

In tijden die worden gekenmerkt door een zucht naar snelle oplossingen en antwoorden zijn films die een gedifferentieerd en soms moeilijk te duiden beeld van de werkelijkheid schetsen hard nodig. Door de overvloed aan armoedig gemaakte documentaires wordt aandacht voor de esthetiek van een film bijna een statement op zich. Te weinig auteursfilms drukken een wezenlijke inhoud uit in een onverwisselbare, esthetische vorm, maar dit is geen Nederlands probleem. Goede films zijn dun gezaaid.

Petra Lataster-Czisch Peter Lataster

Documentairemakers. Hun film Jerome Jerome is op het IDFA te zien

Verplicht bedrijven kindarbeiders te helpen

Onderwijs in het ontwikkelingsbeleid verliest in navolging van de BV Nederland bijna de helft van zijn budget. Een nieuw subsidieloket voor het bedrijfsleven opent juist feestelijk zijn deuren. Succesvolle resultaten om kinderarbeid te bestrijden, dreigen verloren te gaan.

De vicieuze cirkel van armoede, een van de belangrijkste oorzaken van kinderarbeid, kan alleen worden doorbroken als kinderen naar school gaan. Zonder armoedebestrijding en zonder verbeterde toegang tot onderwijs zal de nood om te werken blijven bestaan voor kinderen uit arme gezinnen.

In het mvo-beleid van staatssecretaris Knapen worden bedrijven financieel beloond als ze kinderen uit hun fabrieken halen. Deze kinderen moeten op zoek naar andere manieren om hun inkomsten te verwerven. In hun zoektocht naar inkomsten belanden zij in veel gevallen in meer verborgen, en soms zelfs meer schadelijke vormen van kinderarbeid, waaronder de prostitutie.

Misschien is die spijkerbroek niet door kinderhanden aan elkaar genaaid, maar naast de kledingfabriek graven tientallen kinderhandjes naar bruikbaar plastic op de vuilnisbelt. Deze kinderen zullen later ook hun eigen kinderen de vuilnisbelt op moeten sturen.

De Nederlandse overheid zou bedrijven moeten verplichten om bij te dragen aan onderwijs, gezondheidszorg en armoedebestrijding in gezinnen, bijvoorbeeld door hen te laten samenwerken met lokale organisaties die investeren in preventie, voorlichting, beleidsbeïnvloeding en directe hulp aan kindarbeiders.

Alleen met de bestrijding van de oorzaken van kinderarbeid kun je daadwerkelijk het probleem bestrijden. Ontwikkelingshulp als onderdeel van de BV Nederland is loos.

Hans Guijt, Talinay Strehl

Respectievelijk hoofd ‘programma’s’ en kinderrechtenmedewerker van Terre des Hommes

Hoezo nauwelijks melding van verkrachting?

Mijn oud-collega Emmer staat niet bekend als een koloniale geschiedschrijver die erg in zijn maag zit met het slavernijverleden van Nederland (Opinie, 21 november). Zij die daar meer problemen mee hebben, worden beticht van een emotionele betoogtrant. Bij Emmer heet de wetenschappelijke argumentatie voorop te staan. Hij ziet kans een onderscheid te maken tussen slaven die in Afrika en naar het Midden-Oosten werden verhandeld tegenover de Atlantische slavenbusiness, met tewerkstelling op plantages in de Nieuwe Wereld als bestemming. Terwijl het bij de laatsten om de benutting van hun lichaamskracht in economische zin ging, stond bij de vrouwelijke slaven die in Afrika bleven of aan Arabieren werden verkocht hun seksuele dienstbaarheid voorop – aldus Emmer. Vooruit, bij de grote oversteek kwamen weleens verkrachtingen voor, maar dat was uitzonderlijk, want, zo stelt Emmer vast, in scheepsjournalen en plantageregisters wordt er nauwelijks melding van gemaakt. Waar kwamen dan al die mulatten vandaan? Wel, cohabiteren met de slavenhouder of opzichter was nu eenmaal economisch voordeliger dan op het veld te werken.

Deze uitleg gaat voorbij aan het werken en leven in onvrijheid. In Surinaamse kinderversjes barst het van de seksuele excessen die zijn begaan tegen slavinnen. Neem dit liedje, dat het ondergaan van verkrachting beschrijft: faja sitom no bron mi so [in vrije vertaling: oh hete ballen (van de meester), brandt me toch niet zo]. We moeten bij Emmer terecht om te leren hoe het werkelijk was – veel beter dan we denken.

Jan Breman

Emeritus hoogleraar comparatieve sociologie, UvA

    • Jan Breman
    • Mr. W.B. Schuller
    • Talinay Strehl
    • Peter J. van Helsdingen
    • Hans Guijt
    • Peter Lataster
    • Michael Lambrechtsen
    • F. van Berkel
    • Petra Lataster-Czisch