brieven

Phrenology chart, showing presumed areas of activity of the brain. Illustration c1920 Photo12

Tegenwerping (1)

Swaab lijkt uitermate tevreden met zijn boek (‘Een goede tegenwerping heb ik nog niet gehoord’, Wetenschapsbijlage, 5 & 6 november) en zijn combinatie van medische kennis en pedagogisch talent hebben van hem een soort Nederlandse Oliver Sacks gemaakt. Maar zijn verhaal bevat ernstige denkfouten. Die ondermijnen zijn pogingen om een coherent ‘monistisch’ wereldbeeld (dat de wereld alleen bestaat uit materie en energie) te presenteren.

Om te beginnen, de titel: biologisch gezien is het brein slechts een van de vele organen die ervoor moeten zorgen dat het lichaam lang genoeg blijft functioneren om zichzelf te kunnen vermenigvuldigen. Niet meer en niet minder. De motivering om het brein een speciale status te verlenen, ligt ongetwijfeld in de overweging dat delen van het brein soms subjectieve belevingen genereren die wij ‘bewustzijn’ noemen. De existentiële kreet, ‘Wij zijn ons brein’, beperkt zich aldus tot een subjectieve weerspiegeling van interne gevoelens.

Een verkapte non-materialistische manier van denken is ook terug te vinden in Swaabs beruchte uitspraak ‘100 miljard hersencellen produceren de geest zoals de nieren urine’. Er is hier sprake van een verwarring tussen causaliteit en identiteit: in het eerste geval leidt verschijnsel A tot product B, dat óf deel uit kan maken van een verdere causale ketting óf worden afgevoerd als een overbodig bijproduct. In een monistisch wereldbeeld is echter geen plaats voor immateriële bijprodukten zoals ‘geest’. Dat is een dualistische zienswijze die in de (neuro)filosofie als epifenomenalisme bekend staat.

Een juiste analogie in dit verband is die met elektromagnetische lichtstralen, die bestaan zowel uit deeltjes als uit golven, afhankelijk van hoe ze gemeten worden. Een van deze aspecten kan nooit de oorzaak van de andere zijn, daar ze verschillende kanten van dezelfde medaille zijn. Een gevaar van slordig taalgebruik in deze context is dat, voor men het weet, ‘geest’ opnieuw een causale functie toegeschreven krijgt. Wij zijn dan terug bij het dualistische beeld van mind over matter waarvan het Swaabs bedoeling leek die achter ons te laten.

Verder is Swaabs bewering dat wij al bij de geboorte grotendeels ‘zijn wie we zijn’ biologisch onzin, daar de mens bij de geboorte een erg onvolgroeide diersoort is. Tal van observaties bevestigen dat de omgeving levenslang niet minder belangrijk blijft voor het bereiken en handhaven van onze volwassen identiteit en capaciteiten dan ons korte verblijf in de baarmoeder.

Het is trouwens volstrekt onwetenschappelijk om te stellen dat iets ooit ‘vast zit’. Juist in een materieel / energetisch systeem zullen er altijd mogelijkheden zijn om ergens in te grijpen: men moet er alleen zien achter te komen waar en hoe. Zo was het eens een dogma dat celspecialisatie onomkeerbaar zou zijn. Maar tegenwoordig gebeurt het ‘herprogrammeren’ van gespecialiseerde cellen tot multipotente stamcellen dagelijks in het lab.

Een verkapte non-materialistische zienswijze ligt ook in Swaabs misvattingen over hoe genen werken: ‘Is je genetische basis niet goed, dan blijf je een pechvogel’. Ja, zolang men de juiste ingrepen nog niet kent! DNA schept mogelijkheden en stelt beperkingen, maar de rest van de cel bepaalt wat binnen die grenzen tot stand wordt gebracht. In een recent experiment leidde de succesvolle implantatie van bevruchte celkernen (dus het hele genoom) van een vis in de kernloze eicellen van een andere vissoort tot eigenschappen van de eiceldonor in de larf, niet tot die van de donor van de celkern.

Swaab bewijst diegenen die werkelijk een coherent naturalistische wereld en zelfbeeld nastreven geen dienst. Hij heeft meer dan een kwart miljoen lezers op een verkapt spiritistische karikatuur van de biologie getrakteerd. Met het aanboren van de Duitse en Chinese markten dreigt een veelvoud hiervan te volgen. Maar Swaab zal zich altijd kunnen troosten met: ‘Ik huilde de hele weg naar de bank’!

M.A. Corner,

emeritus hoogleraar ontwikkelingsfysiologie, UvA / voormalig wetenschappelijk onderzoeker, Nederlands Instituut voor Hersenonderzoek

Tegenwerping (2)

Tegen het idee dat de hersenen gedachten afscheiden zoals de nieren urine heeft Dick Swaab nog altijd geen goede tegenwerping gehoord. Ik begrijp dat wel. Veel mensen beschouwen zo’n uitspraak als een grappig soort stoere praat waarmee iemand wil aangeven niet in ‘iets hogers’ te geloven en gaan daar schouderophalend aan voorbij. Maar je hoeft niet in God of in Iets of in een Universeel Bewustzijn te geloven om in te zien dat ‘iemand aardig vinden’ ook iets anders kan betekenen dan het vrijkomen van dopamine in de nucleus accumbens.

Deze kanttekening heeft weinig te maken met hoe de hersenen werken. Ze is van filosofische aard. Van de filosofen in dit debat horen we weinig, terwijl hun bijdrage verhelderend kan zijn – voor Swaab misschien niet meer, maar dan toch voor de toehoorders. Als filosofen vinden dat het analyseren en zo mogelijk oplossen van conceptuele verwarring hun specialisme is (en ik geloof dat veel filosofen dat vinden), dan zouden ze zich met dit debat moeten gaan bemoeien.

Albert Hijdra,

neuroloog (niet praktiserend)

Bilthoven

Discussie gesloten – redactie

    • Albert Hijdra
    • M.A. Corner