Waarom zou je ook ooit het eigen erf verlaten?

Gerard van Emmerik: De kippen- jongen. Nieuw Amsterdam, 222 blz. € 17,50

Het gaat niet goed – en het wordt nog erger. Dat is zo ongeveer het stramien van alle verhalen en romans van Gerard van Emmerik. Sneue, uitzichtloze geschiedenissen waarin huisvrouwen, schooljongens, leraren, eetverslaafden, aidspatiënten en alcoholisten rusteloos ronddolen. Ze zijn naarstig op zoek naar warmte en veiligheid.

Die warmte en die veiligheid zoeken ze steevast bij de verkeerde mensen aan wie ze zich, bij gebrek aan beter, hardnekkig vastklampen. Al in Van Emmeriks debuut, in 1993, kon iemand droogjes opmerken dat hij ‘verslingerd’ was aan ‘een proleet’ die hem regelmatig afranselde.

Achttien jaar en zeven boeken later is zijn thematiek niet wezenlijk veranderd. De laconieke toon, de luchtige manier van vertellen en de licht absurdistische toets, broodnodig bij zoveel treurnis, zijn gelukkig gebleven.

In zijn nieuwe roman, De kippenjongen, maken we kennis met Noor, die verslingerd is aan Lucas, een autistische kippenboer. Hij ranselt haar niet af, maar er is wel een voortdurende dreiging van huiselijk geweld. Hij wil haar steeds in zijn buurt hebben. Hoe aannemelijk is het dat een meisje van achttien intrekt bij een zonderling van zesendertig? Kan ze niks beters krijgen?

Geleidelijk wordt duidelijk dat Noor een misstap heeft begaan, die ze op deze manier goed hoopt te kunnen maken. Omdat zij op die ene dag niet goed oplette, verdronk haar broertje. Ze denkt de voorzienigheid gunstig te stemmen door zich op te offeren voor Lucas.

Toch valt er op den duur een nieuw ongeval te betreuren – opnieuw door verdrinking. En de zoon die alles goed had moeten maken, ‘het kippenjong’, blijkt ernstige mankementen te vertonen: een schuw zorgenkind, autistisch net als pa, met aangeboren hoofdletsel. Hij moet regelmatig voor controle naar het ziekenhuis.

Veel narigheid dus, in dit boek over twee rare snuiters. Gerard van Emmerik slaagt erin ze in de loop van het boek steeds meer contour te geven. De eenkennige, stuurse, houterige kippenboer heeft ontegenzeggelijk ook sympathieke kanten. En het hoekige zoontje, dat tot verdriet van zijn moeder geen enkel vriendje heeft, niet gezellig mee wil naar Zuid-Frankrijk en al helemaal niet naar een vakantieoord met andere moeilijke kinderen, heeft eveneens iets aandoenlijks. Als hij te veel moet van zijn moeder, dan bijt hij letterlijk van zich af, ‘als een nijdig hondje’.

Maar wat heb je nu precies aan zo’n jaren zestig-verhaal over twee jongens met een moedercomplex die het erf liefst nooit verlaten? Wil Van Emmerik laten zien dat de geschiedenis zich van vader op zoon alleen maar kan herhalen? Is het een kwestie van voorbeschikking?

Ik denk dat hij ons in elk geval duidelijk wil maken, voor de achtste keer inmiddels, dat een mens veel minder vrij is dan hij denkt. En dat er voor hem, om nog even in pluimveetermen te blijven, weinig anders op zit dan zich tevreden te stellen met een klein, beschut hoekje in de grote kippenren van het leven – om erger te voorkomen.