Tussen afkomst en aankomst

In 1966 verscheen De laatste middagen met Teresa van de Spaans-Catalaanse schrijver Juan Marsé. Een schelmenroman, en later een geliefd boek, dat niettemin destijds een schok teweegbracht.

Juan Marsé: De laatste middagen met Teresa. Vertaald door Mariolein Sabarte Belacortu. Signatuur, 400 blz. € 22,95

Poor boy/rich girl: de literatuur is er dol op. En met reden, want de spanning tussen het milieu van afkomst en dat van aankomst vormt een ideaal breekijzer. Onder het gladde oppervlak van de samenleving worden dan al snel de ijzeren wetten van uitsluiting en behoudzucht zichtbaar. De Spaans-Catalaanse schrijver Juan Marsé verbond dat thema met het oer-Spaanse genre van de picareske roman. In De laatste middagen met Teresa schetst hij een bijtend portret van de Catalaanse bourgeoisie onder het franquisme – zonder daarbij de liefdesromantiek van zijn hoofdpersonen te vergeten.

Het resultaat is waarschijnlijk het meest gelezen en geliefde boek uit Marsés omvangrijke oeuvre, een oeuvre dat drie jaar geleden nog werd bekroond met de Premio Cervantes, de meest prestigieuze prijs in het Spaanse taalgebied. De laatste middagen met Teresa speelt in 1956, maar doet met zijn studentenprotesten, korte rokken en bikini’s meer denken aan het jaar waarin het boek verscheen, precies een decennium later.

Teresa Serrat is de dochter van een vermogende Catalaanse industrieel, eerstejaars studente en naar behoren progressief geëngageerd. Manolo Reyes, bijgenaamd ‘de Pichemapart’, is afkomstig uit het Zuid-Spaanse Murcia, houdt zich in Barcelona staande met kleine criminaliteit en veel bravoure, en heeft van politiek geen notie. De twee ontmoeten elkaar in de warme zomermaanden en verliezen zich in een even gepassioneerde als kuise verliefdheid, met misschien wel meer fascinatie voor elkaars milieu dan voor elkaar. Dat kan niet goed gaan – en dat doet het dan ook niet. Tegen het eind van het boek realiseert Manolo zich: ‘Deze mensen zullen geen poot voor je uitsteken, jongen’ – en daarin blijkt zijn straatwijsheid maar al te profetisch.

Marsé schreef deze roman (zijn derde) in een tijd van heroplevend realisme in de Spaanse literatuur en film. Het franquisme had zijn greep op de samenleving wat versoepeld en dat maakte een rauwere blik op de werkelijkheid mogelijk. Marsé, die als geadopteerde wees en man van twaalf ambachten het volksmilieu goed kende, maakte het tot aan de jaren tachtig tot het voornaamste onderwerp van zijn romans en verhalen. In 1973 werd zijn beroemd geworden boek Als ze je zeggen dat ik viel daarom toch nog door de censuur verboden. Dat probleem bestond niet meer toen hij in 1977 een verhalenbundel publiceerde met de veelzeggende titel Bekentenissen van een schurk.

De bekendste schurk die Marsé schiep is echter ‘de Pichemapart’ gebleven, aan wie hij in 1981 nog een verhalenbundel wijdde. Hij is de klassieke kruimeldief zonder veel oog voor de toekomst en zonder veel consideratie voor de meisjes wier gunsten hij geniet. Tot zijn liefde voor Teresa hem ook in seksueel opzicht beschaaft. Hij zou willen zijn zoals zij, maar die mogelijkheid is hem niet gegund.

Omgekeerd zou Teresa willen zijn zoals haar geliefde – althans zoals zij zich in haar romantisch-revolutionaire dromen zijn wereld voorstelt. ‘Als rooie moet je in jouw buurt een fantastisch leven hebben’, zegt ze tegen hem, maar hij helpt haar ruw uit de droom: ‘Rooien, heb je het soms over goudvissen? In mijn buurt is alleen verveling en armoe!’ Veel helpt het niet. Pas wanneer Teresa zich aan hem opdringt bij een ‘arbeidersfeest’ ontdekt ze de werkelijkheid: ‘Waar was dat spontane, gezonde plezier van de volksfeesten gebleven? Een okselgeur en een heimelijke, deprimerende hitsigheid, dat was alles.’ Marsé maakt zich geen illusie over de wereld van ‘de Pichemapart’, maar is nog veel bijtender over de pretenties van de jeunesse dorée van die jaren. ‘Op den duur zouden sommigen worden beschouwd als poseurs, anderen als slachtoffers, de meesten als idioten of kleine kinderen [...]. Maar allemaal werden ze gezien als wat ze echt waren: vuile, jonge, rijke stinkerds.’ Dat inzicht mag inmiddels gemeen goed geworden zijn (twee, drie decennia later zouden deze cryptocommunisten even overtuigde ecologisten, feministen of neoliberalen zijn geweest), in de jaren zestig moet dat geluid als een flinke schok gekomen zijn. Als jonge, veelbelovende en vooral progressieve schrijver kon Marsé moeilijk als fascistische zeurpiet worden weggezet.

Dat De laatste middagen met Teresa zo’n geliefd boek kon worden, moet te danken zijn aan de nooit klef wordende tederheid waarmee Marsé zijn hoofdpersonen tekent. Ze zijn verre van volmaakt, maar zijn juist in hun onvolkomenheid innemend. Er schuilt een morele heroïek in de manier waarop ‘de Pichemapart’ probeert zich boven zichzelf te verheffen, al verliest hij nooit zijn streken en komt juist uit die wil zijn tragedie voort.

Of misschien eerder zijn tragikomedie. Want hoe illusieloos de strekking van de roman ook is, nooit verliest Marsé daarbij de humor uit het oog. Hilarisch zijn de gesprekken die ‘de Pichemapart’ moet voeren met Teresa’s medestudenten, tegenover wie hij zijn rol als ‘arbeider- held’ maar moeilijk kan volhouden en al zijn talenten als picaresk schoffie uit de kast moet halen. En ook zichzelf spaart Marsé niet. Terwijl hij in zijn hoofdpersoon ongetwijfeld een flink deel van zichzelf heeft geïnvesteerd, duikt hij ook heel even onder eigen naam op. Dat is op het volksfeest, waar Teresa niet alleen te maken krijgt met okselgeurtjes, maar ook met een stiekeme billenknijper die er vervolgens vliegensvlug vandoor gaat. ‘Och’, hoort ze een meisje naast haar zeggen, ‘die ken ik wel, die heet Marsé, het is zo’n klein, donker ventje met krulletjeshaar, hij kan zijn handen niet thuishouden...’