Techtuur heeft de toekomst

Met gentech en nano dringen we steeds dieper door in de natuur, en het financiële ecosysteem hebben we niet onder controle. Wat is natuur nog in ons hoofd? Een Apple en een Blackberry?

Koert van Mensvoort e.a: Next Nature. Nature changes along with us. Actar, 461 blz. € 37,50

Bas Haring: Plastic Panda’s. Over het opheffen van de natuur. Nijgh & Van Ditmar, 237 blz. € 19,95

Als je het woord appel googelt op afbeeldingen verschijnen er appels. In het Nederlands is dat nog zo. Maar als je het Engelse woord apple googelt, verschijnt het logo van het bedrijf Apple. Pas de 35ste afbeelding bij het woord apple is een appel. De cultuur heeft het gewonnen van de natuur, is de voor de hand liggende conclusie. Straks zullen kinderen bij apple eerder aan computers dan aan fruit denken. Net zo is een jaguar al geen roofdier meer maar een auto, is een poema een schoen geworden, en wordt een schelp een multinational.

Je zou die appel, die auto, die schoen en die schelp kunnen zien als uitingen van een nieuw soort natuur, van ‘natuur 2.0’ of van ‘techtuur’, een versmelting van natuur en cultuur. Heeft het bijvoorbeeld nog zin om een onderscheid te maken tussen het weer, een natuurlijk gegeven, en het financiële systeem, dat door mensen is gemaakt? Beide kun je maar tot op zekere hoogte voorspellen. En is een appel wel zo natuurlijk? Appels zijn net als computers door mensen gemaakt – een wilde appel is tamelijk oneetbaar. Het enige verschil is dat de mens voor de appel levend materiaal gebruikte en voor de computer dood. En wat is er belangrijker in mijn leven? Ik kan makkelijker zonder appels dan zonder smartphone. Daarmee kan ik telefoneren, brieven schrijven, fotograferen, muziek luisteren, boeken lezen, kaart lezen, tv kijken, planten en dieren determineren, en spelletjes spelen – ook al is met de laatste maar de vraag of ik dat zelf doe.

Evolutie kan soms snel gaan. Het duurde jaren voor een computer een mens kon verslaan bij schaken en spelen tegen een machine werd lang als not done beschouwd. Maar nu laten mensen vrijwillig twee computers tegen elkaar spelen. Wordfeud, scrabble voor op de smartphone, is nu een populair spel. Maar behalve wordfeud kun je in de appstore ook allerlei wordfeudhulpjes downloaden, wel negen verschillende. Eigenlijk laten mensen een dergelijk hulpje gebruiken, twee machines tegen elkaar spelen. Zonder het te weten – of zonder het erg te vinden.

Er zijn nu twee boeken verschenen die onderzoeken wat natuur en natuurlijk is en hoe ons begrip daarvan verandert en nog gaat veranderen. Bovenstaande voorbeelden komen allemaal uit een van beide boeken, of bijna, want er een paar bij verzinnen gaat vanzelf, zo aanstekelijk is deze nieuwe manier van denken, die plezier schept in het opheffen van de oude grenzen tussen cultuur en natuur, natuur en techniek, mens en machine. Het ene boek is Next Nature, samengesteld door kunstenaar Koen van Mensvoort, verbonden aan de Technische Universiteit van Eindhoven, en Hendrik-Jan Grievink, criticus en grafisch ontwerper. Dit dikke boek levert in woord en vooral in beeld allerlei demonstraties van die ‘Next Nature’. Anders dan bij de krantentitel NRC.next is niet alleen de titel maar het hele boek in het Engels, wellicht een voorschot op de toekomst waarin de Nederlandse taal verdwenen zal zijn, al zal dat misschien nog even duren. (Oude talen en technologieën kunnen taai zijn.) Next Nature is een vertaling als boek van de website Next Nature.net, die in 2005 werd gestart. Het boek bevat het beste wat er in de loop der jaren is verschenen op de site, aangevuld met nieuw materiaal. Het onderwerp blijkt oeverloos; het gaat onder meer over de supermarkt als savanne, technologie als nieuwe locatie van het sublieme, het klonen van Neanderthalers en de evolutie van het scheermesje. Soms is het sciencefiction – we zien vrouwenvoeten met ingebouwde hoge hakken. Vaker is het dat niet – een foto van een atleet met beenprotheses gebaseerd op de poten van een jachtluipaard.

Het andere boek is een klassiek essay (ook al is er wel een app. van gemaakt), geschreven door filosoof Bas Haring, hoogleraar publiek begrip van wetenschap aan de Universiteit van Leiden.

De onderwerpen die ze behandelen zijn voor een groot deel hetzelfde. Zowel in Next Nature als in Plastic Panda’s staat een foto van een als boom vermomde zendmast; in Next Nature zijn het er een stuk of tien, in Plastic Panda’s één. In beide boeken illustreert de zendmast onze oppervlakkige, visuele omgang met de natuur. Vaak zijn de zendmastbomen veel te hoog om een echte boom te kunnen zijn of wijken ze op een andere manier af. Maar als je het niet weet, zie je het niet. Mij waren ze in ieder geval niet opgevallen voor ik er op gewezen werd.

De zendbomen geven in beide boeken aan dat de omgang van de mens met de natuur aan het veranderen is. En nog meer zal veranderen. Misschien is het binnenkort mogelijk om van een echte boom een zendmast te maken. Bomen zouden nu al gebruikt kunnen worden als lantaarnpalen; hun bladeren zijn zo te manipuleren dat ze in het donker licht geven.

Het verbaast niet dat Bas Haring ook een van de essays in Next Nature heeft geschreven. Dat gaat over intentionaliteit. Volgens Haring is het die eigenschap die cultuur van natuur onderscheidt. Cultuur is bedoeld, natuur niet: een park is bedoeld, een bos niet. En ook Haring meent dat er door mensen bedachte systemen zijn die we om die reden tot natuur zouden kunnen bestempelen. Toch loont het om beide boeken te lezen of te bekijken. Het één wil verbazen en verwarren, het ander verbazen en verhelderen. In Next Nature staat bijvoorbeeld een verstandig essay van Maartje Somers over voedselproductie, na allerlei visuele voorbeelden van modern voedsel als vierkante meloenen, vegetarische worsten en lokale McDonaldsvariaties. Somers vraagt zich af: ‘in 2050 zal de wereld negen miljard zielen tellen, die grotendeels in steden zullen wonen. Hoe kunnen we die te eten geven, terwijl de olie opraakt en de aarde opwarmt?’

Bas Haring heeft geprobeerd dit uit te rekenen. Haring durft vragen te stellen en te beantwoorden waar Next Nature niet aan toe komt. Somers stelt bijvoorbeeld dat dankzij de wijze waarop nu voedsel geproduceerd wordt, er gebrek aan biodiversiteit ontstaat. Haring vraagt zich af of het wel zo erg is als de biodiversiteit afneemt. Zijn antwoord zal menig natuurliefhebber tegen de haren instrijken. Hij vindt het niet zo erg als de panda of een andere diersoort uitsterft en geeft daar goede redenen voor, in een stijl die helder en beeldend is – à la Richard Dawkins voordat die antigodsdienstwaanzinnig werd. Een voorbeeld van zijn stijl: ‘Zeldzame zaken zijn waardevol. Dat is basiseconomie. Als er vijftien Mona Lisa’s waren geweest, was dat schilderij lang niet zo waardevol geweest. Zeldzame plant- en diersoorten zijn ook waardevol.’ Dat vindt Haring zelf niet – zo vat hij een van de argumenten voor het behoud biodiversiteit samen. Zijn repliek: ‘Zeldzame dingen zijn helemaal niet waardevol. Schaarse dingen zijn waardevol. Dingen waar meer vraag naar is dan aanbod. In mijn schuur liggen de zeldzaamste curiosa – plastic orchideeën uit de jaren tachtig en gebroken bordjes. Unica. Maar omdat er geen vraag naar is, zijn ze waardeloos.’

Een bladzijde eerder vertelt hij over een collega die op het Amsterdamse eiland IJburg is gaan wonen, in een luxeappartement aan het water. Alleen kijkt hij uit op een elektriciteitsmast. Sindsdien probeert de collega zich in elektriciteitsmasten en hun verschijningsvormen te verdiepen, teneinde die mast net zo te waarderen als een boom, die tenslotte ook niet is ontstaan om door ons mooi gevonden te worden. Het is hem volgens Haring al bijna gelukt.

Haring lijkt soms wel eens weemoedig te worden van zijn eigen voortvarendheid. Het is of hij het ook niet kan helpen dat na enig logisch nadenken het behoud van biodiversiteit een conservatieve droom blijkt. ‘In een toekomstige, met verstand en mededogen vormgegeven wereld zullen minder soorten leven dan nu. Maar ik zie niet in waarom dat een ramp zou zijn. Hoogstens is het jammer.’

‘Jammer’ is waarschijnlijk geen werkbaar uitgangspunt voor rationeel beleid. Maar ‘jammer’ is, naast opgetogenheid, wel een gevoel dat vaak opduikt als je je met techtuur bezighoudt. De mate waarin is misschien individueel bepaald. Zelf zou ik het bijvoorbeeld heel jammer vinden als huisdieren verdwijnen. In Next Nature staat een foto van een bejaarde die knuffelt met een robot met een bontvacht. Een onverdraaglijk gezicht. Gelukkig zijn poezen nog steeds de beste muizenmoordenaars.

Het perspectief van Bas Haring en Koen van Mensvoort e.a. is westers. In andere culturen heeft het onderscheid tussen cultuur en natuur, tussen kunst en techniek altijd verschild van het onze. Next Nature bestond al op andere plaatsen. In India kennen ze bijvoorbeeld het begrip svayambhu, wat zoiets betekent als niet door mensenhand gemaakt maar uit zichzelf ontstaan. Door een rivier gesleten kiezelstenen, fossielen. Voor die dingen is veel waardering, ze worden soms als heilig vereerd. In China heb je al eeuwen filosofenstenen, stenen die door hun bijzondere vorm erg svayambhu zijn. Ze worden op kunstige sokkels gezet, bewonderd en gebruikt bij meditatie. Zoveel eer krijgt de natuur in het westen doorgaans niet.

In de kunst moet alles door mensen gemaakt zijn. Maar ook dat verandert nu, wie weet onder invloed van het westerse Next Nature-denken. Het Kröller-Müllermuseum op de Veluwe exposeert doorgaans alleen dingen die door mensen gemaakt zijn. Door Vincent van Gogh geschilderde bomen, een door Brancusi gebeeldhouwd ei. Nu zijn daar ook acht filosofenstenen te zien.