Parels tussen de Playboys

Voor haar bloemlezing van erotische Nederlandstalige literatuur daalde Elsbeth Etty af in ‘De Hel’ van de Koninklijke Bibliotheek. Alle dagen orgie! ‘Ook een eroticum kan het niet stellen zonder fantasie, meesterlijke dialoog en splijtend psychologisch inzicht.’

e opwindendste seksscène die ik ken staat in een Engelstalige roman. Hoofdrol: de veertiger Humbert Humbert. Tijd: zondagochtend in juni. Plaats: zonbeschenen woonkamer. Rekwisieten: oude divan met zuurstokstreep, tijdschriften, grammofoon, snuisterijen. De 12-jarige Lolita draagt een katoenen jurkje, ruim in de rok, strak in het lijfje. Ze heeft geen schoenen aan, ze houdt een paradijsrode appel vast. Humberts hart slaat als een trom als ze naast hem op de bank komt zitten, en met haar ‘glanzende vrucht’ speelt. Ze gooit hem in de lucht en vangt hem op. Humbert onderschept de appel.

Dan begint het.

Gedurende vijf bladzijden, waarin de spanning tot het uiterste wordt opgevoerd, werkt Humbert zich naar een orgasme toe zonder ook maar één handeling te verrichten en zonder een onvertogen woord. Er is alleen de suggestie: ‘Haar benen beefden een beetje terwijl ze over mijn levendige schoot lagen […] Toen ze zich uitrekte om het klokhuis van haar afgedankte appel door het haardrooster te smijten, verschoof ze haar jonge gewicht, haar schaamteloze onschuldige benen en ronde bips, op mijn gespannen, gekwelde, heimelijk zwoegende schoot; en opeens werden mijn zinnen door een mysterieuze verandering bevangen. Ik kwam op een bestaansvlak waar niets ertoe deed, behalve het genotsaftreksel gebrouwen in mijn lichaam’.

Het hoogtepunt, ‘de langste extase ooit door mens of monster gekend’, laat dan nog drie pagina’s lang op zich wachten. Vervolgens maakt Humbert zichzelf wijs dat Lolita niets in de gaten heeft gehad, terwijl iedereen die als kind al dan niet bewust de lust van een volwassene heeft opgewekt, heel goed weet dat zoiets nooit onopgemerkt blijft. Daarin zit ’m nu juist de opwinding. En natuurlijk in de ondraaglijke spanning van het uitgestelde genot, wat een essentieel verschil is tussen erotische literatuur en op instant bevrediging gerichte pornopulp.

Toen mij door uitgeverij Prometheus werd gevraagd een bloemlezing van Nederlandstalige erotische literatuur samen te stellen schoot me niet één roman te binnen die zich kan meten met Nabokovs Lolita (hier geciteerd in de vertaling van Rien Verhoef), maar niettemin vermoedde ik dat er genoeg moois en prikkelends te vinden zou zijn.

Als puber verslond ik de broeierige passages in romans van Vestdijk als Juffrouw Lot, de recht-op-en-neerseks van Wolkers , de duister-tedere incest waar Hugo Claus het patent op heeft, de bronstige beschrijvingen van de jonge decadente keizer Heliogabalus in De berg van licht van Couperus. Alleen al om deze reden, er is gewoon te veel, besloot ik geen romanfragmenten op te nemen. Bovendien houd ik er niet van romans in stukken te knippen en scènes zonder context te presenteren. Dat is een vorm van omgekeerde censuur.

Vroeger had je gekuiste versies van Lady Chatterley’s Lover, de roman van D.H. Lawrence uit 1928 die tot 1960 in Groot-Brittannië verboden bleef wegens de expliciete seks. Omgekeerd krijg je verminkte literatuur door de seksscènes uit een roman te lichten, wat leidt tot een aaneenrijging van losgezongen erotische voorstellingen waaruit verhaallijn en karakters zijn weggesneden. En als de personages die in erotische voorstellingen figureren onbekenden voor me blijven, lukt het me ook niet er opgewonden van te raken.

Daarin verschil ik van veel mannen. Die slagen er vaak wel in om met behulp van onpersoonlijke seksscènes aan hun trekken te komen. Vrouwen schijnen een verhaal nodig te hebben om hun fantasie op gang te brengen (‘Onze hersens zijn onze voornaamste erogene zone’, zei Erica Jong) en omdat ik nu eenmaal een vrouw ben, heb ik gekozen voor afgeronde korte verhalen van 1900 tot heden. Die afbakening spijt mij om drie redenen: ik moest de Vlaamse variant van Lolita, Louis Paul Boons roman Mieke Maaike’s obscene jeugd laten vallen, W.F. Hermans (van wie ik geen enkel erotisch verhaal heb opgespoord) kon ik alleen via het achterdeurtje van de poëzie binnensmokkelen en bij één van Nederlands grootste stilisten, Cees Nooteboom, lukte aanvankelijk zelfs dat niet. Gevraagd naar de oorzaak van het ontbreken van erotische verhalen in zijn oeuvre antwoordde Nooteboom de erotiek van de meeste Nederlandse schrijvers weinig te waarderen. „Bij woorden als ‘piemel’ of mededelingen als ‘hij streek over haar geslachtsdeel’ kan ik me niet zoveel voorstellen, behalve de werkelijkheid. Nabokov vermijdt de technische termen, en natuurlijk niet uit pruderie, maar omdat het meestal niet erotisch werkt, de suggestie kan veel effectiever zijn.

Als Nederlandse auteurs eten zouden beschrijven zoals ze neuken beschrijven, zou je zien wat ik bedoel: ‘Hij stak zijn natte roze tong naar voren, prikte met zijn glanzende vork in de zacht smeltende gorgonzola, en leidde die door de wijd open, van pure anticipatie nat geworden lippen naar binnen...’”

Dit deed me er aan denken hoe erotisch Nooteboom over eten schrijft, waardoor ik hem, om met Henry Miller te spreken, alsnog door de staldeur bij mij naar binnen kon voeren. Hierbij dus, als voorgerecht, ‘De asperge’, een erg smakelijk, om niet te zeggen bloedgeil gedicht van Cees Nooteboom uit 1988:

Communio Virginalis

Zie nu deze eerzame, eetbare phallus,

Deze eenzame, dierloze

Eenhoorn, zie

Hoe hij los in haar hand ligt,

Gemaakt voor de vorm van haar mond, zijn

Kleur die van bruidsjurk bij schemer, zo

Romig en leliebladzuchtig, geblanket

Als amandels, gestoken uit het

Zoetste ivoor.

Zie nu dit verkleinde geboomte,

Deze vlezige stam zonder takken, rechtop en bleek

Als een breekbare toren van pure materie

Onder zijn koepel van paars,

Zie deze vloeibare, smeltende groente

In zijn bijna verdwenen gestalte, zie hoe

Het ander ivoor van haar tanden

Zijn lengte vernietigt, hoe het

Schemerend paars van zijn glans

Op haar tong ligt, en hoe zij,

Terwijl zij zijn wortel nog vast heeft,

Zuigt op zijn ziel als een duim en

Hem met zichzelf vereenzelvigt

Tot het genot van zijn dood erop volgt.

In de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, waar ik afgelopen zomer met hulp van collectiespecialist Nederlandse taal- en letterkunde Arno Kuipers onbeperkt mocht rondneuzen, bevindt zich, diep in de kelders, een schaars verlicht, kaal hok dat ‘De Hel’ wordt genoemd. Achter ijzeren hekken, die alleen met sleutels uit een geheim kastje te openen zijn, ligt er de erotica opgeslagen: kasten vol seksblaadjes als Chick en Candy, maar ook Gandalf, Playboy, Penthouse en met foto’s verluchtigde ranzige romannetjes over incest tussen vaders en dochters, voorzien van inleidingen door fakeprofessoren in de seksuologie. Gewone bezoekers van de KB zijn niet welkom in De Hel, zij moeten bij de balie een aanvraag indienen voor de seksblaadjes, die ze dan als het meezit in de studiezaal kunnen inzien. Ik heb één bezoek gebracht aan deze weinig erotiserende onderwereld, waarin trouwens ook de stripboeken zijn ondergebracht: tante Sidonia geflankeerd door playmates met uitpuilende ballonborsten en opengesperde vagina’s.

In de weken die volgden op mijn helletocht zorgde de Cerberus van de Koninklijke Hades, Mark van Egmond, ervoor dat de keurig in mappen verzamelde jaargangen van erotische bladen met karren tegelijk de mij ter beschikking gestelde werkkamer werden binnengereden. Bij het doorbladeren ervan begreep ik waarom ze tot de best bewaakte verzamelingen van de KB behoren: veel exemplaren waren bezoedeld of beschadigd, foto’s slordig uitgescheurd, hele nummers ontbraken, kennelijk gestolen om ze privé te kunnen savoureren. Totaal ongeschonden, maagdelijk mag ik wel zeggen, was echter de extra bijlage van het Nieuwjaarsnummer 1994/1995 van Penthouse ‘Orgie op zondag’, geschreven door A.F.Th. van der Heijden, een novelle van 22 dichtbedrukte pagina’s vol hitsige exercities van vrienden onder elkaar. Helaas te omvangrijk voor een bloemlezing, maar daar staat tegenover dat ik in de Penthouse van augustus 1990 het verhaal ‘Cunnilingus ad absurdum’ aantrof, een voorpublicatie uit Van der Heijdens meesterwerk Advocaat van de hanen en een hoogtepunt in de Nederlandse erotische literatuur. „Toen ze haar billen van de zitting opwipte om haar – eveneens zwarte – broekje naar beneden te schuiven, hield hij haar tegen. ‘Hou het nog even aan, als je wilt. Streel jezelf maar alvast door de stof heen.’ Ze vond het maar raar, die voorkeur voor het halfbedekte, en al na anderhalve minuut zei ze: ‘Ik trek het nu toch maar uit,’ en ze deed het.”

‘Maar wat zijn nu precies je criteria’, werd mij bij mijn speurtochten in de KB regelmatig gevraagd,‘ ‘wat kies je uit en wat laat je om welke redenen vallen?’ Van het begin af aan had ik me voorgenomen alleen verhalen op te nemen waarvan ik zelf opgewonden raak, of die eerder mijn fantasieën hebben gevoed. Oude liefdes, zoals ‘Harry en het woord’ uit Voer voor psychologen van Mulisch en Jan Wolkers’ ‘Kunstfruit’ uit Gesponnen suiker bleken nog recht overeind te staan, terwijl het monotone pijp-neuk- bef-repertoire uit Chick en Candy me nog altijd niets doet.

Dus geen porno in deze bloemlezing?

Het is maar wat je onder pornografie verstaat. ‘Mutatis mutandis is pornografie in wezen geen literair maar een juridies begrip,’ scheef Gerard Reve in 1965. Het argument dat pornografie louter bedoeld is om de zinnen te prikkelen weerlegde hij met de vraag ‘welk boek, welk kunstwerk niet gemaakt wordt om de zinnen te prikkelen. Bedoeld is hier kennelijk de seksuele prikkeling.’

Inderdaad, daar draait het om bij erotische teksten. Mijn zinnen worden geprikkeld door alle pornoclichés denkbaar: verboden seks, aberraties van welke aard dan ook, onmogelijke verlangens, niet te beheersen obsessies en ga maar door, zolang ze maar goed zijn opgeschreven. Vermoedelijk heeft de verteller uit De memoires van een erotische boekverkoper (1970) van Armand Coppens, voor wie porno geen kunst is maar kitsch, gelijk met de uitspraak: ‘Pornografie bevredigt geen mens, het laat hem achter in een staat van frustratie, die hem meestal noodzaakt zich van andere, extremere seksuele uitlatingen te bedienen. Het resultaat is een soort bezetenheid, een vicieuze cirkel van frenetiek zoeken naar steeds sterkere stimulansen.’

Voor het schrijven van erotica zijn talent, goede smaak, intelligentie en humor net zo essentieel als voor alle andere literaire werken. Mijn ervaring bij het samenstellen van mijn bloemlezing van moderne erotische verhalen is dat goede erotica per definitie goede literatuur zijn. Ook een eroticum kan het niet stellen zonder luisterrijke metaforiek, fantasie, meesterlijke dialoog en splijtend psychologisch inzicht – liefst een combinatie van dit alles. In pornografie, zegt Nabokov in een nawoord bij Lolita, dient de handeling zich te beperken tot de paring van gemeenplaatsen, omdat ‘stijl, structuur, beeldspraak de lezer nimmer mogen afleiden van zijn lauwe lust’. Zelf verlangde hij van literatuur esthetisch genot, ‘ofwel een besef op enigerlei wijze verbonden te zijn met andere bestaansvormen waarin de kunst (nieuwsgierigheid, tederheid, vriendelijkheid, vervoering) de norm is.’

Dat is het soort verhalen waar ik tijdens het grasduinen bij de KB naar op zoek ben geweest en waarvan ik er vele heb opgedolven. Toen Cees Nooteboom mij aan het begin van mijn erotische queeste waarschuwde dat Nederlandse auteurs net zo over neuken schrijven als over eten, hield ik mijn hart vast. Onwillekeurig moest ik denken aan het smerige kookboek Het dovemansorendieet van Maarten ’t Hart waarin de meest gore gerechten zonder te proeven naar binnen worden geschrokt, en dat is gelardeerd met spreuken als ‘Overal mag je van snoepen, mits je daar flink van gaat poepen’. Inderdaad ontdekte ik dat ’t Hart net zo plastisch over seks schrijft als over de doorgekookte blubberandijvie en beschimmelde broodpap die zijn gereformeerde moeder hem als kind voorzette: ‘Ze deed met haar rechterhand mijn gulp open en trok, echt, ik jok niet, tegelijkertijd met haar linkerhand haar broekje omlaag. „We hebben geen tijd te verliezen,” zei ze vrolijk, en ze duwde bliksems handig en bliksemsnel mijn pik in haar kut. „Allemachtig, wat een paal,” zei ze, „we zullen er maar niet bij gaan liggen, daar is geen tijd voor, we doen het staande.” En dus deden we het staande’ (Maarten ’t Hart: ‘Het gouden kruisje’).

Vele oude bekenden heb ik in de KB-collecties herontdekt – die helaas niet allemaal konden worden opgenomen. Voor publicatie van verhalen van Gerard Reve, Vonne van der Meer en Ronald Giphart gaven de auteurs of hun erven geen toestemming. Sommige van mijn favorieten, zoals ‘De meisjes van de suikerwerkfabriek’ van Tessa de Loo moesten wegens de omvang afvallen, waardoor ruimte vrijkwam voor nieuwe ontdekkingen. Het fabeltje dat vrouwen geen erotica kunnen schrijven hoop ik met de verhalen van Andreas Burnier, Kristien Hemmerechts, Hermine Landvreugd, Mensje van Keulen, Monika Sauwer, Karin Spaink, Anne Vegter en vele anderen voorgoed te hebben ontkracht.

Het wemelt in De Nederlandse erotische literatuur in 80 en enige verhalen van de verrassingen, zoals een verhaal van een medewerker van NRC Boeken, die schrijft onder het pseudoniem Aafje Melgers en een bijdrage van Hein Wybrand, pseudoniem van de voormalige chef van de geheime dienst (BVD/AIVD) Arthur Docters van Leeuwen, die over een rijke fantasie, een prachtige pen en een overdosis aan uitgestelde verlangens blijkt te beschikken: ‘In het donker liep zijn hand gewoontegetrouw naar zijn geslachtsdeel om, geholpen door de zojuist opgedane verse afdruk in zijn gezichtscentrum, het wonder van Onan tot stand te brengen.’

Een bewerkt voorwoord van Elsbeth Etty’s bloemlezing De Nederlandse erotische literatuur in 80 en enige verhalen. Prometheus, 1.040 blz. €24,90