Marokkanen kiezen een premier voor hun koning

Marokko kiest een parlement, na hervormingen waarmee de koning betogers voor was. Gematigde fundamentalisten tippen zichzelf als winnaar.

De grote vraag bij de parlementsverkiezingen in Marokko vandaag is of ze net als in Tunesië, en straks hoogstwaarschijnlijk in Egypte, grote winst voor de moslim-fundamentalisten zullen opleveren.

De gematigd-fundamentalistische Partij voor Gerechtigheid en Ontwikkeling (PJD), op-een-na-grootste bij de verkiezingen in 2007, denkt zelf dat ze de grootste kan worden. Tenzij er enorm wordt gefraudeerd, hield de nummer twee van de PJD, Lahcen Daoudi, tegenover persbureau Reuters een slag om de arm.

De Arabische opstanden zijn grotendeels aan Marokko voorbijgegaan. Een ‘20-februari-beweging’ eist vergaande democratische verandering, maar heeft niet veel steun bij de bevolking. Betogingen trekken een paar duizend mensen. Koning Mohammed VI is vrij populair en het Marokkaanse politieke systeem is democratischer dan in de buurlanden. Terwijl Ben Ali in Tunesië en Mubarak in Egypte nog tijdens de opstanden weigerden te hervormen, was de koning de betogers met grondwetswijzigingen voor.

Die grondwetswijzigingen hebben Marokko niet veranderd in een constitutionele monarchie – de koning houdt het laatste woord – maar de premier moet voortaan uit de grootste politieke partij komen. Tot dusver was alle keus aan de koning; de laatste keer, in 2007, ging hij zelfs zover de ministers aan te wijzen. Er is geen Arabische koning tot dusverre die invloed op de premiersbenoeming heeft afgestaan. Wel moet de premier de koning altijd raadplegen.

Tegenover de PJD staan de verschillende ‘partijen van de koning’, sinds kort verenigd in de Groep van Acht. Bij de gemeenteraadsverkiezingen in 2009 boekte een van de belangrijkste, de Partij van de Authenticiteit en Moderniteit (PAM), van een schoolvriend van de koning, nog een grote overwinning. Maar onder invloed van de Arabische opstanden tegen het gezag heeft ze glans verloren.

Aan het gestaag toenemend aantal hoofddoeken op straat in Arabische landen was al jaren de islamitische religieuze opleving te zien. Fundamentalistische partijen maakten zich populair door gezondheidszorg en andere sociale diensten te leveren. Maar de politieke vertaling van die populariteit werd geblokkeerd door de regimes, die voorzichtige westerse aandrang op democratische hervormingen afwimpelden onder verwijzing naar het fundamentalistische gevaar. Van westerse zijde was er nauwelijks protest toen president Mubarak een jaar geleden alle fundamentalistische kandidaten uit het parlement weerde.

In de nieuwe situatie na de ‘Arabische lente’ hebben deze partijen meer ruimte gekregen. In Tunesië kreeg Ennahda, onder Ben Ali strikt verboden, 40 procent van de stemmen bij de verkiezingen voor een grondwetgevende assemblee. In Egypte, waar maandag verkiezingen beginnen, wordt een overwinning voor de vroeger verboden Moslimbroederschap verwacht.

De Marokkaanse PJD staat evenals Ennahda aan het progressieve einde van het fundamentalistische spectrum. De Moslimbroederschap is conservatiever. Maar alle drie omarmen het concept van een meerpartijen democratie en zeggen andersdenkenden te respecteren. De shari’a, het islamitisch recht, heeft op dit moment hoe dan ook minder prioriteit dan de economie, nu toeristen en investeerders wegblijven. In Marokko is de werkloosheid onder jongeren tot 34 jaar gestegen tot boven de dertig procent. De PJD mikt ook op de verwoestende corruptie.

Maar wordt de PJD de grootste? De kiesdistricten zijn zo ingedeeld dat kiezers op het platteland, waar de fundamentalisten weinig steun hebben, relatief meer invloed hebben dan de kiezers in de steden waar het fundamentalisme veel sterker is. Een hoge opkomst in de steden zou dat rechtzetten, maar er was de afgelopen weken weinig enthousiasme voor de verkiezingen te bespeuren. Dat is in het voordeel van de traditionele partijen van de koning.