...maar in Brussel krijgen ze vaak de schuld

In Brussel gedraagt de Britse premier zich vaak als een hinderlijke outsider. „Waarom stappen de Britten er niet uit, als ze toch bijna overal tegen zijn?”

Jean Monnet, een der grondleggers van de Europese Unie, zei altijd dat Europa drie pijlers heeft: Frankrijk, Duitsland en Groot-Brittannië. Maar, waarschuwde hij, men moet Groot-Brittannië wel volledig aan boord houden, anders komt er ellende. Als je nu in Brussel mensen vraagt waarom het zo moeilijk loopt tussen Europa en de Britten, zijn er velen die deze woorden van Monnet oprakelen.

Niet dat de verhouding Brussel-Londen op alle gebieden slecht is. Wat betreft handel, uitbreiding van de interne markt en innovatie- en industriebeleid lopen Europese belangen parallel met de Britse. Probleem is dat de Britten, ondanks Monnets waarschuwing, op belangrijke terreinen opt-outs hebben gekregen. Ze hoefden niet mee te doen met de euro of met Schengen, en kregen begrotingsprivileges die in de Thatcher-jaren redelijk waren maar nu een struikelblok zijn bij onderhandelingen.

En precies op deze terreinen doen zich de grootste Europese problemen voor: financieel, monetair, budgettair, justitieel. Bij elke stap die eurolanden zetten om de eurocrisis te bestrijden, vinden zij Londen op hun pad, dat als relatieve outsider eigen belangen najaagt. In Brusselse vergaderzalen zeggen andere Europeanen weer vertwijfeld: „Waarom gaan de Britten de EU niet uit, als ze tegen bijna álles zijn wat wij doen?”

De lijst met grieven groeit. Bondskanselier Merkel wil het Europees verdrag wijzigen om de eurozone een steviger fundament te geven. Maar verdragswijzigingen regel je met 27 EU-landen, niet alleen met 17 eurolanden. En Londen maakt de operatie riskant door veel wisselgeld te vragen en een referendum niet uit te sluiten. 26 EU-landen willen strenger toezicht op kredietbureaus en de derivatenhandel – en Londen probeert deze financiële regulering met het oog op de City consequent af te zwakken of te blokkeren.

Zo ontstaat de paradoxale situatie dat David Cameron, de Britse conservatieve premier (die velen in Brussel een verademing vinden na de botte Brown), „eurolanden oproept het vuur uit te trappen, maar hen niet bij de brandblusser laat”, zegt een Europees ambtenaar. Tijdens de G20 in Cannes, begin november, voerde de ‘Frankfurtgroep’ (Merkel, Sarkozy, Draghi, Juncker, Lagarde, Barroso en Van Rompuy) besprekingen met de Amerikaanse president Obama, maar niet met Cameron. „Het ging over de euro, wat moest hij daar?” zegt de ambtenaar. „Obama staat voor een groot land met een reservemunt. Hij draagt iets bij. Cameron niet, behalve obstructie.”

Dat de Brusselse incrowd de Britten beschouwt als aanstichters van alle kwaad, is niet nieuw. Dat gebeurde ook onder Tony Blair, de minst eurofobe premier sinds tijden. Een Brit die een hoge Europese post krijgt, is „gepusht door Londen”. De uitbreiding met tien landen in 2004 was „een Brits complot, om de Unie te verwateren”. Dat Groot-Brittannië als enige EU-land weigert bij VN-vergaderingen Europese diplomaten het woord te laten doen namens Europa (zoals in het Lissabonverdrag staat), verbaast niemand.

„Maar pas op met oversimplificeren”, zegt Piotr Kaczynski van de Brusselse denktank Ceps. „Elke Britse regering worstelt met het dilemma dat je ín de EU dingen moet slikken die je niet bevallen, maar dat je erbuíten elk vermogen verliest om mee te beslissen – zoals Zwitserland en Noorwegen, die buiten de EU zijn gebleven. Iedereen weet dat Cameron die balans ook zal vinden. Hij moet wel.”