Let op het gat onder de sneeuw

Drie mannen en een vrouw komen samen in Stephan Enters Grip, een alpinistenroman met een feilloze compositie, sterke personages, existentiële thema’s. En cliffhangers.

Stephan Enter: Grip. Van Oorschot, 183 blz. €17,50

Heel ingewikkeld kan het niet zijn, dat schrijven, denk je wanneer je door Stephan Enter met een paar zinnen zijn nieuwe roman Grip wordt ingetrokken. De eerste zinnen: ‘God, daar was hij [...] daar ging Vincent Voogd, behendigste aller alpinisten, na twintig jaar onmiddellijk herkenbaar. Nog steeds zo’n norse kop met van die rafelige bakkebaarden. Hij droeg een modieus visgraatjasje, trok een kleine koffer op wielen als een weerspannig hondje achter zich aan en hield een krant op ooghoogte voor zich uit. Hij was zo verdiept dat hij al lezend tegen iemand opbotste en – kon het sprekender – in plaats van zelf excuses te maken ze zo te zien juist ontving.’

Zo’n man, dus. Het type met tomeloze energie, daadkrachtig op het beangstigende af, vertrouwd met het idee dat hij wat slimmer is dan zijn omgeving. Een paar pagina’s verder, we bevinden ons op een station, voegt Enter nog een ijzersterk beeld aan het portret toe, wanneer Vincent Voogd zijn kort daarvoor verloren dagblad heeft teruggevonden en weer aan komt lopen, ‘de heroverde krant opgerold tot knuppel’.

Stephan Enter schrijft helder en precies. Dat heeft ook nadelen, want in eerdere boeken wilde Enters verlangen naar volmaaktheid nog wel eens gestaalde perfectie opleveren, waarin zijn personages al te zeer op afstand bleven (Lichtjaren, 2004) of waar de schrijver veel meer betekenis in had gepropt dan zijn lezers eruit konden halen (Spel, 2007). Zo niet in Grip. Het is een klassiek opgezette roman waarin Enters stijl samengaat met een feilloze compositie, sterke personages, existentiële thema’s en een schitterende climax. En twee cliffhangers (wat wil je, in een bergbeklimmersroman).

Grip is behalve een bergbeklimmersroman vooral een reünieroman. Vier alpinisten hebben in hun studententijd samen een reeks klimtochten gemaakt, zijn elkaar uit het oog verloren en komen na twintig jaar bijeen voor een reünie in Wales. Paul van Woerden en Vincent Voogd reizen samen met de Eurostar door de Kanaaltunnel. Aan de overzijde wachten de andere twee, Martin en Lotte, die in de buurt van Swansea wonen met hun dochtertje. Een clubje van drie mannen en een vrouw, inderdaad, er is ook het een ander aan betekenisvols tussen de ándere mannen en Lotte voorgevallen. In drie grote brokken laat Enter de mannen uit het gezelschap aan het woord, elk op hun manier gefascineerd door hun vrouwelijke metgezel en door elkaar.

De interpretaties van de drie vertellers peilen in eerste instantie hun verhouding tot de cynisch-stuurse Lotte. (‘Lotte, die Nooit meer slapen in haar rugzak had, verklaarde Alfred Issendorf tot aansteller en mietje.’) Plotseling kon zij haar sarcasme echter inwisselen voor een lyrische opmerking zonder voorbehoud. Dan voelde je, schrijft Enter, ‘dat haar gevoelsleven opeens als een zenuw blootlag’. Waar hij schitterend aan toevoegt: ‘En niemand voelde zich geroepen die plek eens aan te raken.’

Lotte speelt een hoofdrol in de eerste cliffhanger van Grip, die al na dertig pagina’s plaatsvindt bij een klimtocht in de Noorse Lofoten, boven de poolcirkel . ‘De strook sneeuw was vijftien meter breed – een nauwelijks door de zon aangeraakte deken die uitnodigde erop te stappen en naar de overkant te lopen. Maar dat ook echt doen was uitgesloten.’ Immers, onder die sneeuw kon zich alles bevinden: ‘een pasta van zand en ijsklonten of losse gladde stenen die van de rotsen waren gevallen of een gat waarin je te pletter viel.’

Het is een van de talloze passages waarin Enter zijn precisie aanwendt om je exact op de plaats van zijn hoofdpersonen te krijgen. Even (schijnbaar) eenvoudig beschrijft hij hoe je een plaats zoekt in een volle trein en je ineens afvraagt of die ander wel bij je in de buurt wil zitten. Enter maakt het benarde van een positie niet duidelijk door de afgrond te beschrijven, maar door tussen haakjes het hinderlijke stof te benoemen dat op iemands hoofd valt: ‘(hij draaide net op tijd zijn gezicht weg)’

Helemaal aan het eind van de roman volgt overigens de tweede cliffhanger, tot in de kleinste details een spiegeling van de eerste – dat weet je omdat je na het dichtslaan van Grip onmiddellijk weer vooraan begonnen bent. Bovendien sluiten de situaties perfect aan bij wat je in de loop van het boek te weten bent gekomen over de karakters: er zijn mensen die in de problemen komen door onnadenkend afdalen, anderen juist door roekeloos klimmen.

Tussen die twee sleutelmomenten heeft Enter de verschuivende verhoudingen, standsverschillen en persoonlijke eigenaardigheden bij de vier klimmers blootgelegd. Die variëren van de gebruikelijke kleine irritaties en vervoeringen, tot haarscherpe observaties over de ingewikkelde banden die een vriendengroep bijeenhoudt, zoals deze gedachte van Martin over de twee andere mannen: ‘Zodra je Paul en Vincent samen had, ontstond er inderdaad iets tussen hen, een geheimzinnige verstandhouding en een voortdurende, net onder de oppervlakte loerende ironie die een gezelschap elektriseerde maar hen daarbinnen ook afzonderde en die hem soms een wrange, ontevreden stemming had gegeven.’ Het is vooral ook zo’n treffende omschrijving (die voor vele mannenvriendschappen zou kunnen gelden) omdat de wederzijdse irritaties tussen Paul en Vincent op dat moment óók al kraakhelder zijn.

Zo pelt Enter de schillen van een vriendschap af, maar de constante spanning van deze roman breidt zich uit tot ver buiten het persoonlijke. Natuurlijk gaat het bij een roman die Grip heet ook om controle. Hoe gevaarlijk is het om geen grip te hebben op je eigen bestaan, hoe lonend is het om risico’s te nemen? En wat zijn de gevolgen van de al dan niet genomen risico’s? Een van de personages komt tegen het eind van de roman tot de conclusie dat hij ‘een briljante mislukking’ is. De logische vervolgvraag is dan hoe erg dat is.

Stap voor stap begint het je te dagen dat de inzet van Enter niet alleen psychologisch en sociologisch is, maar ook metafysisch. Uiteindelijk draait Grip om tijd, of om de greep die je op de tijd kan proberen te krijgen. Voor alle vier de personages is hun klimavontuur van veertig jaar geleden cruciaal. Ze willen terug naar dat moment, de een omdat toen alles is begonnen, de ander omdat toen alles tot stilstand kwam, de derde door een combinatie van die twee. En allemaal gaan zij anders om met de gegeven onmogelijkheid om naar die tijd terug te keren.

Dat uit zich in de daden van de personages (soms door hun gebrek daaraan), maar ook door hun gesprekken, waarbij de krant uit de beginscène een hoofdrol speelt omdat daarin een bericht staat over de aanstaande onsterfelijkheid van de mens, die een discussie oproept over de vraag hoe nastrevenswaardig die onsterfelijkheid dan zou zijn. Dat geeft Grip een religieuze grondtoon die aan het slot tot een dubbele bijbelse climax komt, waarbij je je realiseert dat het misschien wel niet het verlangen naar die ene vrouw was dat de groep klimmers bond, maar toch iets anders. Dan krijgt het onschuldig ogende eerste woord van deze roman nieuwe betekenis – zoals je bij alle grote kunstwerken steeds iets nieuws ontdekt wanneer je er een volgende blik op werpt.