Kabul is de McDonald's voor drugs

Afghanistan dreigt een generatie aan de opium te verliezen.

Vrienden van Karzai én de Talibaan verdienen onderwijl fors aan de papaverteelt.

De ooit kolkende rivier Kabul is inmiddels niet meer dan een vies stroompje. Marktkooplui kieperen hun troep ongezien over de kade. Afghaanse mannen gebruiken deze stinkende plek om hun behoefte te doen. Maar als je goed kijkt, beweegt er nog iets: steeds meer graatmagere drugsverslaafden ‘wonen’ in de droge rivierbedding onder oude tentdoeken of vuilniszakken.

Niaz Mohammed, een werkloze, voormalige taxichauffeur van rond de veertig, is een van de schimmen die met heroïne uit hun zware leven willen ontsnappen. Op zijn elleboog zweert een pijnlijke wond. „Niemand kijkt naar ons om”, zegt hij. „Als ik hier dood ga, zal geen Afghaan er iets van merken.”

Afghanistan, dat na tien jaar internationale inmenging nog altijd zeer instabiel is, loopt nu ook het risico een generatie te verliezen aan opium. Dat althans zegt de Belg Jean-Luc Lemahieu, hoofd van het VN-kantoor voor de bestrijding van drugs en misdaad (UNODC) in Afghanistan. In vijf jaar is het aantal verslaafden verdubbeld tot een miljoen, op een totale bevolking van zo’n dertig miljoen.

Lemahieu heeft plekken gezien in Kabul waar het inmiddels een ‘McDonald’s’ is voor drugs. Bleef het verslaafdenprobleem als gevolg van Afghaanse drugs aanvankelijk beperkt tot gebruikers in het buitenland, dat is allang niet meer zo. „Ik heb een generaal met medailles op zijn uniform in Kabul zien liggen, volledig van de wereld”, zegt hij.

Lemahieu wil dat de Afghaanse overheid dit probleem aanpakt, maar hij weet als geen ander hoe de verhoudingen liggen. Niet alleen is de opiumproductie na tien jaar buitenlandse inmenging niet afgenomen, ook zijn het nog steeds de drugsbaronnen, met steun van de regering-Karzai en de Amerikanen, die er het meest aan verdienen.

De laatste VN-cijfers van 2010 zijn schokkend. Leden van de familie van president Hamid Karzai en enkele krijgsheren hebben zich ontpopt als machtige maffiosi: 70 procent van de 2 miljard dollar aan opiumopbrengsten – dat is 1,4 miljard dollar – valt in hun handen, stelt UNODC. Zo’n 400 miljoen gaat naar de boeren en de Talibaan streken in 2001 200 miljoen dollar op. Door de slechte oogst vorig jaar zijn de prijzen alleen maar gestegen en durft Lemahieu nu al te zeggen dat deze aantallen in 2011 zullen worden verdubbeld.

Ondanks pogingen van de internationale gemeenschap om boeren andere gewassen te laten verbouwen vormt de opbrengst van miljoenen hectares papaver door het corrupte bestuur nog steeds de ruggegraat van de Afghaanse economie. Veel alternatieven hebben de boeren ook niet, omdat wegen dichtblijven en veel bazaars wegkwijnen.

Er kleven echter ook risico’s aan dit illegale papavercircuit. Corrupte leiders dwingen hen vaak een deel van de oogst af te staan. Doen ze dat niet, dan worden er knokploegen op af gestuurd. Gebieden met sterke, meer integere gouverneurs zijn daarentegen getuige van een ommekeer. Een voormalige opiumboer uit de provincie Parwan, ten noorden van Kabul, zegt net als vele anderen dat hij blij is dat hij nu komkommers verbouwt. „Illegaal geld verdienen is onveilig.”

De minister van Drugsbestrijding, Anwar Moqbal, moet in deze illegale miljardenbusiness orde brengen, zegt hij. Maar dat is niet gemakkelijk. „Het zijn niet alleen de Talibaan die mij haten. De vijand zit overal.” Is het niet de politiecommandant uit een provincie die de minister op televisie heeft beschuldigd van drugshandel, dan is het wel de in drugs handelende districtsleider die hem naar het leven staat.

Moqbal heeft onlangs nog een parlementariër voor de rechter gesleept voor drugshandel. De man – Haji Zaher – was eerder vrijgelaten door president Karzai omdat hij hem nodig had voor zijn herverkiezing in 2009. Dit jaar gaat hij verder met de jacht op de ‘Dons van Afghanistan’, zoals zijn adviseurs de landeigenaren noemen. Aan de koning van de drugs – Sher Mohammed Akhundzada – komt hij echter liever niet. Dat is de Godfather van Afghanistan die met steun van Karzai grote delen van de 63.000 hectare aan papaverplanten in de Zuidelijke provincie Helmand in handen heeft. Moqbal wil niet eens over hem praten. Te gevaarlijk. „Er zijn nog genoeg andere Sher Mohammeds achter wie ik aan kan.”

Een recent rapport van de gezaghebbende denktank Afghanistan Analyst Network legt uit waarom Karzai’s strijd tegen de opium al vanaf 2001 gedoemd was te mislukken. Met steun van de Amerikanen werden toen krijgsheren in plaats van bestuurders in het zadel geholpen die niet alleen mensenrechten hadden geschonden, maar voordien ook al drugshandelaren waren. In deze ‘drugseconomie’ is er geen duidelijke weg terug, legt de Duitse auteur Citha Maass uit.

De internationale troepen die vaak samenwerken met de krijgsheren, bereiken zo weinig dat de Afghaanse productie soms zelfs zo groot is dat de internationale markt die niet eens aankan. De NAVO-troepen richten zich nu vooral op het vernietigen van laboratoria en assisteren de Afghaanse overheid met het verwoesten van de velden, maar dat lijkt slechts van symbolisch belang.

Nu de Amerikanen hun vertrek hebben aangekondigd voor 2014, proberen machtige krijgsheren en andere groepen zoals de Talibaan hun inkomsten veilig te stellen met papaverteelt. Lemahieu: „Ze willen allemaal nog snel geld verdienen om klaar te zijn voor de eventuele burgeroorlog, een uitgelezen moment om nog meer macht te krijgen.”

Drugsverslaafde Niaz Mohammed denkt niet aan de toekomst. Vanaf de weg langs de rivier schreeuwt een Afghaan met een tulband dat drugsgebruik niet islamitisch. Daarom is hij „nog minder dan een hond”. Niaz Mohammed negeert het en duikt weg in een hoop rottende groente. Hij trekt een tentdoek over zich heen. Een rookpluim van brandende heroïne stijgt op. Daarna is het stil.