Ik weet niet welke vorm het verdriet heeft

‘Ik heb het stuk veel gespeeld”, zei pianist Kees Wieringa over Canto Ostinato van Simeon ten Holt, „en na afloop stonden er steevast huilende mensen in de kleedkamer.” Wieringa werd aan het woord gelaten omdat regisseur Ramon Gieling een documentaire heeft gemaakt over Canto Ostinato (NRC Handelsblad, 22 november). Het viel hem op dat mensen zo hevig werden geraakt door dit stuk. „Ik heb dat de aantrekkingskracht van het onmogelijke genoemd”, zegt Gieling. Hij zoekt in zijn werk naar dingen die groter zijn dan je kunt vatten, zegt hij.

Er is veel groter dan je kunt vatten – ik denk niet dat je lang hoeft te zoeken – maar het vreemde met muziek, met alle goede kunst, en dat is vast wat Gieling bedoelt, is dat het iets laat horen van dat grotere en onbevattelijke, zonder dat het grijpbaarder wordt. De muziek maakt het onbevattelijke aanwezig.

Over kunst praten, niet over wat je ergens in ziet of hoe je een werk kunt analyseren of interpreteren, maar over hoe kunst werkt op een mens, is vaak hachelijk. Voor je het weet, zit je te stamelen of gebruik je Zeer Grote Woorden.

Op het ogenblik wordt in Amsterdam het International Documentary Film Festival Amsterdam (IDFA) gehouden. Hierin wordt ook die documentaire vertoond over Canto Ostinato, dat wonderlijk repetente, vloeiende, meeslepende muziekstuk. Hierna wordt het stuk gespeeld. Kon ik daar maar bij zijn! Als je naar die muziek luistert, weet je waarom je leeft, denk ik weleens – niet dat je het echt weet, want zodra iemand vraagt waarom je leeft, kun je weer alleen terugverwijzen naar de muziek.

De belangrijkste en diepgaandste dingen zijn onzegbaar, maar daarom zijn ze er nog wel.

In de wonderschone documentaire Water Children, van Aliona van der Horst, ook te zien tijdens het IDFA, zien we hoe een in Nederland wonende, Japanse pianiste een kunstwerk maakt in een klein Japans dorp. Het kunstwerk bestaat uit 1.400 witzijden onderjurkjes, waarvan een deel rood is geverfd met menstruatiebloed. Dit klinkt eenvoudig afschuwelijk en zelfs hysterisch, maar het is ongelooflijk mooi en verstild. De mensen uit het dorp waar het kunstwerk is geïnstalleerd, zijn bepaald geen geregelde kunstbezoekers. De meesten zijn nog nooit in een museum geweest. We zien ze door gangen van witte, waaierige jurkjes lopen, totdat ze in het midden omhoogkijken in een hoge koepel. Daar hangen de vlekkerige rode jurkjes, in een wonderlijke knoop.

Een vrouw staat met open mond te staren. Ze knippert met haar ogen. „Als ik dit zie”, zegt ze, „vraag ik me af of dit het begin van het leven is. Van alle leven. Dat ontroert me.” Vervolgens zegt ze: „Het verdriet in me komt naar boven, maar ik weet niet welke vorm het heeft.”

Een boer die op het land werkt, zegt dat hij zich door het kunstwerk meer bewust is geworden van de kracht van het leven. Dat het onkruid dat hij wiedt elke keer weer terugkomt – dat is levenskracht.

Deze man en deze vrouw zijn gewone mensen. Ze maken zich niet druk over kunst. Ze wisten niet eens dat kunst iets was waarmee ze te maken zouden kunnen hebben, maar nu ze met een kunstwerk oog in oog staan, beweegt er iets in hen.

Van de week was ook de documentaire Waste Land te zien op televisie, over de internationaal bekende fotograaf Vik Muniz. Hij maakte, met behulp van vuilnis, grote portretten van mensen die werken op de vuilnisbelt van Rio de Janeiro. Een van de vuilnismensen zegt dat hij eerst niet begreep waarmee Muniz bezig was, totdat Muniz hem er iets over vertelde. „En nu vind ik het heel mooi”, zei hij. Je zag dat hij de waarheid sprak. Hij was hevig ontroerd door het werk van Muniz, maar hij had iets nodig gehad om te kunnen zien en voelen dat daar iets werd getoond wat ook hem aanging. Nu hij het zag, ging het over zijn leven, maar natuurlijk kon ook hij niet zeggen hoe dan.

We kunnen veel van wat ons diep aangaat niet uitdrukken. We zeggen vaag dat we iets ‘mooi’ vonden, maar daar ging het niet om. We zeggen dat onze blik veranderd is door een kunstwerk, maar we kunnen niet zeggen wat deze verandering inhoudt.

Deze onbeholpenheid – die alles te maken heeft met het fenomeen dat wat kunst ‘uitdrukt’ op geen enkele andere manier kan worden uitgedrukt – maakt het hopeloos moeilijk om kunst te verdedigen. Wie nooit, zoals die vuilniswerker wel, een zetje heeft gekregen om te zien dat een kunstwerk een grotere reikwijdte kan hebben, wie nooit, als die Japanse vrouw, volkomen onbevangen heeft gevoeld dat ze iets meemaakte, die kan gemakkelijk spreken over „onzin” en „flauwekul”, zonder dat degene wiens leven is veranderd daar iets verstandigs tegenin kan brengen. Niets dan gestamel komt er uit de monden van de getroffenen.

Dat is het leven zelf, dat zich geroerd naar buiten stamelt.