Het regent!

Amechtig balkende ezels rennen doldwaas over de herboren vlaktes. Larush raakt opgewonden als hij in de verte een groep bont gekleurde strijders gewaar wordt. Hij versnelt zijn pas. „Hé, mijn broeder, anderhalf jaar heb ik je niet gezien. Wat ben je mager geworden.” Hij vat met een stevige greep de hand van Lesori. Die maakt een vreugdesprongetje en antwoordt: „Nou, jij ziet er ook niet uit. Maar vertel me, heb jij nog leuke nieuwe vriendinnetjes gehad de afgelopen droge tijd?”

De groene wereld van geluk is terug. Na vele droogtejaren regent het overvloedig in grote delen van Kenia en Somalië. Drie maanden geleden hadden ruim twee miljoen Kenianen voedselhulp nodig, in verscheidene delen van het land begonnen de meeste verzwakte hongerlijders te overlijden. Ook in Resim, waar de seminomadische stam de Samburu leeft, gingen mensen dood. Resim ligt in de grote zandbak van Noord-Kenia, die grenst aan Somalië. Door de oorlog ontaardde de voedselcrisis in Zuid-Somalië in een hongersnood.

Over de voedselsituatie daar is nog onduidelijkheid, maar in Noord-Kenia lijkt het dieptepunt van de crisis nu gepasseerd. Op de kaalgeslagen aarde verschijnt een groen tapijt, gelardeerd met witte bloemen. „Deze bloemen vertonen zich alleen bij een herschepping van de wereld”, legt Larush uit, een krijger van het seminomadische Samburuvolk in Noord-Kenia.

Hij houdt de hand van Lesori nog steeds vast en zegt: „Kom, laten we melk gaan drinken in de kraal.” Een armzalig straaltje uit een geitenuier was maandenlang het enige voedsel voor deze geharde veehouders op de schrale zandvlaktes.

Met alle koeien waren de krijgers weggetrokken, soms honderden kilometers verderop, op zoek naar de laatste sprietjes in de bergen. Alle beesten zijn weer thuis en iedereen drinkt melk: zure melk, melk met as, thee met melk en melk die geslapen heeft (yoghurt).

Buiten de omheining met doornen takken van de kraal poedelen naakte kinderen in een grote bruine plas. Geiten met slierten nageboorte van achteren likken hun pasgeboren jongen schoon. Rond de acaciaboom in de kraal kwetteren de weversvogeltjes, aan iedere tak hangt een nest. „Al die maanden hebben we geen vogeltjes gezien of gehoord. Er valt niets te weven zonder gras, ook hun wereld kan niet zonder regen”, vertelt Larush.

Vader Larush vergadert met een groep ouderen in de koeienstront, een heilige plaats in de kraal. „Door al die droogtejaren lopen we achter bij het organiseren van ceremonies”, klaagt de oude man, „want zonder koeien valt er niets te vieren”.

De vijf jaar geleden besneden groep krijgers dient op weg naar de volwassenheid nog vele rites te doorlopen. Daar kwam het in de verdroogde wereld niet van. De ouderen besluiten bij de eerste volgende volle maan de strijders een zegening te geven. Dan zullen er vele koeien worden geslacht, en iedereen zal dansen en heel veel melk drinken. Mama Larush, zijn echtgenote, zet in haar huis van koeienstront op een houtskoolvuurtje een kopje thee. „Kom binnen, je hoeft je komst niet meer aan te kondigen.”

Samburu’s kennen geen huisdeuren en hongerige bavianen maakten daar tijdens de magere maanden gretig gebruik van om van alles weg te graaien. Maandenlang legde mama Larush een knuppel naast de ingang om van zich af te slaan.

„Drink nog een kop”, maant ze haar zoon, „ik ga nog wat voor je melken”. Ze kruipt door de nauwe ingang van de woning naar buiten, nestelt zich tussen de benen van een koe en zingt een lied om het beest gerust te stellen. De forse stralen romige melk spuiten in haar kalebas. „Ons leven is zo mooi”, kweelt ze.

De oudere mannen hebben meer bedenkingen. Zij vrezen dat de regens het volgende seizoen opnieuw kunnen uitblijven en ze weten dat na de afgelopen rampjaren het herstel nog lang en moeilijk zal zijn.

Nomaden tellen hun koeien liever niet, dat brengt ongeluk. De oude heren rond vader Larush kunnen hun koeienbezit nu op de vingers van twee handen tellen. „Ik bezat twee jaar geleden 35 koeien, nu nog zeven”, rekent vader Larush voor, „het gaat lang duren om weer een veestapel op te bouwen. Als dit soort droogtes blijven terugkeren, gaat ons leven kapot.”