Geldpers van ECB gaat niet draaien, maar wie bestrijdt de crisis dan wel?

Nu Frankrijk en Duitsland geen druk uitoefenen op de ECB, bieden alle ‘simpele’ oplossingen geen soelaas. De crisis dendert wel voort.

Geen overuren voor de drukkers van Joh. Enschede, De La Rue en Oberthur. De productie bij de Europese geldpersen wordt vooralsnog niet opgeschroefd.

Dat is duidelijk na de minitop van de Duitse kanselier Merkel, de Franse president Sarkozy en de Italiaanse premier Monti. Op de vergadering in Straatsburg spraken Merkel en Sarkozy af geen druk uit te oefenen op de Europese Centrale Bank. Na afloop zei Sarkozy: „Over de ECB hebben we niet dezelfde mening. Dat is geen geheim”. Maar dat de twee regeringsleider niks over de ECB zeggen, is volgens de Franse president een teken van „een positief compromis” geboren uit wederzijds begrip voor Duitse en Franse gevoeligheden. Wel spraken de twee af dat eurolanden in de toekomst aan strengere begrotingsregels moeten voldoen.

Daarmee krijgt Merkel haar zin en bindt Sarkozy in. Vooral Frankrijk vond dat de ECB op massale schaal moest ingrijpen op de Europese obligatiemarkt in een poging de druk op probleemlanden te verlichten. Merkel ziet de crisis vooral als een probleem van politici die te lang te weinig discipline hebben getoond en dus via verdere Europese integratie ingetoomd moeten worden.

De afspraken voor strenge begrotingsregels zijn wellicht nodig om Duitsland achter het plan te krijgen voor gezamenlijke Europese obligaties, ofwel eurobonds, waar rijke landen (deels) garant staan voor de schulden van probleemlanden. Het zal maanden of zelfs jaren duren voordat zulke vergaande en omstreden plannen uitgevoerd worden, terwijl de paniek op financiële markten op dit moment het voorbestaan van de monetaire unie bedreigt.

Het wantrouwen in de eurozone neemt zienderogen toe. Vanochtend moest Italië 6,5 procent rente betalen om 8 miljard euro aan staatsleningen met een looptijd van 6 maanden te verkopen. Vorige maand betaalde Italië op een soortgelijke veiling 3,5 procent rente. Opmerkelijk is dat Italië niet veel meer betaalt (7,1 procent) op tienjaars staatsobligaties. Normaal gesproken hoort er een aanzienlijk verschil te zitten tussen de kort en lange rente. Het is voor beleggers moeilijker in te schatten of een land tussen nu en tien jaar in problemen komt dan om een analyse te maken over wat er het komende half jaar gaat gebeuren. Dat dat onderscheid voor Italië nauwelijks meer gemaakt wordt, is een veeg teken.

Het is onduidelijk hoe Sarkozy en Merkel op korte termijn de onrust kunnen bezweren. Het plan om noodfonds EFSF te vergroten tot 1.000 miljard euro door het kapitaal te laten aantrekken van, vooral, investeerders buiten de eurozone lijkt mislukt. Chinese investeerders en rijke oliestaatjes blijken niet bereid voor miljarden risico’s te lopen op de eurozone. Nu Duitsland en Frankrijk hebben besloten de ECB met rust te laten, lijken er geen relatief pijnloze oplossingen meer over. Toch is de nood groot een reddingsmiddel op te tuigen dat Italië en Spanje kan afschermen van de financiële markten.

Euroleiders kunnen altijd besluiten zelf meer bij te dragen aan de slagkracht van noodfonds EFSF. Dat zou wel betekenen dat sommige leiders, zoals de Duitse minister van Financiën Schäuble, moeten terugkomen op eerdere beloftes. En dat zou betekenen dat andere politici, zoals Sarkozy, moeten vrezen voor de kredietwaardigheid van hun land.

Waar Europese politici klem lijken te zitten, zou de ECB tóch overwegen actie te nemen. De ECB zou volgens persbureau Reuters overwegen banken leningen van twee tot drie jaar te verstrekken. Nu kunnen banken maximaal een jaar lenen bij de ECB. Doel zou zijn om banken sterker te maken, waardoor ze weer meer aan elkaar kunnen lenen en meer staatsobligaties op de balans kunnen nemen. Het ECB-bestuur schijnt de roep van politici vaak wel te horen, maar kiest er voor om er niet naar te luisteren. Misschien noodgedwongen toch een beetje.

    • Melle Garschagen