De gruwel van de dubbeldunk

Ook in het zevende en laatste deel van zijn Verzameld Werk is Karel van het Reve de grote ontluisteraar. Toch geloofde hij soms in een betere toekomst en in het zegevieren van recht en waarheid.

Karel van het Reve: Verzameld werk 7. Van Oorschot, 700 blz. € 45,- De zeven delen samen kosten € 225,–

Leefde Karel van het Reve nog maar, om Adriaan van Dis de oren te wassen. Schrijver en televisiemaker Van Dis zei onlangs tijdens een bezoek aan China: „Dit is geen land dat je kan besturen zoals Nederland, dit is een land dat alleen maar krachtig geleid kan worden.” Van Dis, die ooit dapper streed voor leven en vrijheid van Britse schrijver Salman Rushdie, zou Van het Reve zeggen, ontzegt nu de Chinese burgers datzelfde recht op leven en vrijheid. Van Dis hangt de opinion chic aan dat democratie is voorbehouden aan blanken met een zekere opleiding, mensen die ermee kunnen omgaan. Barbaren, zeker als ze met z’n éénmiljarden zijn, zijn meer gebaat bij onderdrukking. Anders zou het maar een rommeltje worden.

Karel van het Reve (1921-1999) heeft in essays van alles bestreden: de literatuurwetenschap, de God van de christenen en de 19de- eeuwse goden die de 20ste eeuw hebben beheerst: Marx, Freud en Darwin. De eerste heeft de aanvallen Van het Reve niet overleefd, de laatste twee staan nog fier. ‘De algemene strekking van dit werk is wantrouwen – wantrouwen tegen elk geloof en iedere doctrine’, stelde de jury die hem in 1982 de PC Hooftprijs gaf. Hij was de grote ontluisteraar, die het domme en het slechte ontleedde en aanviel. Hij hield er niet van om op geestdriftige toon ergens vóór te pleiten. Toch school in de tegenstemmer een hartstochtelijk idealist. Heel soms liet hij iets los over waar hij in geloofde, veel vaker kun je zijn idealen destilleren uit waar hij tegen was.

De wortels van Van het Reves moraal liggen in zijn communistische jeugd. Hij geloofde in het communisme tot zijn 27ste. Zodra Van het Reve rond 1948 ontdekte dat deze leer ook een geloof was, viel hij er vanaf. Sindsdien heeft hij een afkeer van de leugen en geloof en een weerzin tegen ideologieën die de hemel beloven.

Een groot deel van zijn krachten heeft Van het Reve gegeven aan het bestrijden van het communisme. Nu dat communisme nauwelijks nog een rol speelt, lijkt een belangrijk deel van zijn werken ook verdampt. Neem zijn boek Het geloof der kameraden, een vernietigende uitleg van het communistische gedachtegoed. Dat is bijna niet meer leesbaar nu de vijand is verdwenen. De aanvaller mept in de lucht.

Dit probleem onderving Van het Reve al vroeg. Op de laatste bladzijde van zijn eerste boek, zijn proefschrift Sovjet-annexatie der klassieken (1954) stelt hij dat we zijn betoog niet moeten lezen als louter een aanval op exotische misstanden. Het communisme is een variant op het westerse gedachtegoed; het streven naar een voor iedereen geldende waarheid kan ook hier tot absurde en barbaarse dwingelandij leiden.

Deze vermaning eindigt in de laatste zin van het boek, waarin hij zijn credo verwoordde, een credo dat een leven lang meeging: ‘Het zijn dan ook naar onze mening geen politieke of wereldbeschouwelijke grenzen, maar moeilijk definieerbare zaken als gevoel voor proporties, smaak, fatsoen, redelijkheid, een zekere persoonlijke halsstarrigheid ook, die de beschaving van de barbarij scheiden’ (Karel I).

Waanzin

Waarom was de ontluistering van de Sovjetwaanzin ook relevant voor het Westen? De massamoorden en onderdrukking van Mao, Stalin en Hitler waren volgens Van het Reve te herleiden tot twee verwerpelijke gezegdes: ‘het doel heiligt de middelen’ en: ‘waar gehakt wordt, vallen spaanders’. Niet zozeer de dictators hebben die massamoorden mogelijk gemaakt, zo stelt hij, maar de grote groepen westerlingen die sinds de Franse Revolutie dit soort misdaden goedpraten, doordat ze geloven dat de onderdrukking ‘historisch noodzakelijk’ is en de moorden noodzakelijke ‘offers’ voor een mooiere toekomst. Deze dubbeldunk was Van het Reve een gruwel. Daarom was hij zo gebrand op goedpraters als Van Dis.

Zoals fellow travellers vaak warmlopen voor buitenlandse dictaturen omdat ze ontevreden zijn over het eigen land, zo kun je uit Van het Reves afkeer voor die dictaturen afleiden waarin hij wel geloofde. Andere westerlingen hebben het na een reis door het Oostblok (1945- ’90) ook ervaren: je ziet pas hoe geweldig onze wereld is als je terugkomt uit een wereld waar vrijheid, rijkdom, individualisme en non-conformisme ontbreken. Ik ging pas zielsveel van reclameborden houden, vooral die met neon, toen ik voor het eerst van mijn leven de grens tussen Oost- en West-Duitsland passeerde.

In U mag alles over mij schrijven, stelt Van het Reve dan ook: ‘Ik ben een fanatiek aanhanger van het systeem van parlementaire democratie. En vooral van de vrijheid van meningsuiting. Ik vind dat het geschreven en gesproken woord in geen enkel geval strafbaar zou moeten zijn gesteld.’ Illustratief voor zijn bewust versimpelde redeneertrant is dat hij geen moeite doet om uit te leggen waarom de vrije meningsuiting een voorwaarde is voor vrijheid. Hij stelt gewoon dat verbieden zinloos en dus onwenselijk is: ‘Ik wil iedereen de vrijheid geven om net zoveel misbruik van bijvoorbeeld de persvrijheid te maken als hij wil’ (Karel VII). Daarmee wees hij meteen op een verwant stokpaardje: dat de vrijheid van meningsuiting niet bedoeld is voor aanvaardbare meningen, maar juist voor onaanvaardbare. De vele Nederlanders die stellen dat ze voor vrijheid van meningsuiting zijn, maar tegen misbruik ervan, zeggen dat ze eigenlijk tegen zijn. Dat Kamerlid Wilders (PVV) strafrechtelijk is vervolgd voor zijn uitspraken, is een ernstige aantasting van de rechtsstaat, hoe weerzinwekkend die uitspraken ook zijn.

De parlementaire democratie wordt als vanzelfsprekend beschouwd en dus zelden verdedigd. Van het Reve bleef erop hameren dat dit wel nodig is. Mede omdat hij ook geloofde: ‘De mens heeft een zeer sterke neiging tot tirannie, zowel tot het uitoefenen als tot het ondergaan ervan.’ (U mag alles over mij schrijven)

Ook schrijft hij over ‘de drang naar eenheid, die de mens eigen is, het conformisme, de behoefte anderen voor zich te laten denken.’ (Karel II) De mensen willen duidelijkheid en één waarheid horen, stelt hij. En beide kan de democratie niet bieden. Dictaturen wel. Weliswaar in schijn, maar dat is de meeste mensen genoeg. Zo beschouwd is de door Van het Reve veel gebruikte zin ‘Ik weet het niet’ naast een wellicht kokette eerlijkheid ook een credo. Vrij denken betekent onzekerheid en erkennen dat je veel niet kunt weten. Wen er maar aan.

Onze vrijheid en democratie zijn fragiel, zo besefte hij: ‘Tussen onszelf en de willekeur staat alleen maar het recht, en niets wordt gemakkelijker opzij geschoven. [...] Tussen onszelf en de leugen staat enkel de waarheid, en niets wordt gemakkelijker onder de voet gelopen. […] Tussen onszelf en de dwang staat geen hecht gewortelde overtuiging, maar een stukje papier, et rien n’est plus fragile’ (Karel II).

Tsjechov

Toch geloofde hij zelf ook soms in een mooiere toekomst. Dit kun je destilleren uit wat hij schreef over de anti-ideologische idealen van de Russische dissidenten en over het geloof van Anton Tsjechov, een van zijn favoriete schrijvers. Ook een schrijver die ‘eigenlijk geen levensbeschouwing’ had. Van het Reve schrijft met veel sympathie over de personages in Tsjechovs toneelwerk die aangrijpende, idealistische tirades houden: ‘Geloof in een betere, rechtvaardige wereld, waarin de mensen gelukkig zullen leven’ (Karel I). Opmerkelijk daarbij is dat de andere personages nooit luisteren of erop ingaan, en dat Tsjechov de idealistische uitspraken altijd inbedt in een ironisch bekeken en hopeloze omgeving.

Van het Reves geloof in het goede is gestaald in de jaren dat hij in het verzet zat en werd omringd door het kwade: in de Tweede Wereldoorlog en in 1967-1968, toen hij een jaar correspondent was in Moskou. In beide gevallen moest hij toezien hoe zijn beste vrienden werden vervolgd door de regimes die hij bestreed. Aan hen heeft hij zijn meest aangrijpende passages gewijd, die des te meer indruk maken omdat hij doorgaans alleen een gedempte, luchtige toon gebruikt. De nazi’s vermoordden zijn joodse vriend David Koker, de Sovjets stopten zijn vriend, de dissident Andrej Amalrik, in een Siberisch concentratiekamp. Aan hen moest hij denken toen hij in 1971 op aangrijpende wijze zijn somtijds geloof in een betere wereld verwoordde, vervoerd luisterend naar Messiah van Georg Friedrich Händel (Karel III): ‘Bij ‘the trumpet shall sound’ krijg je de indruk dat het recht en de waarheid zullen zegevieren, en dat je vrienden uit het kamp zullen terugkeren – zelfs al is de een al in 1943 doodgemaakt en zit de andere tienduizend kilometer hiervandaan.’

Knip dan, toe dan! Karel van het Reve in beeld. Van Oorschot, 132 blz. € 25,-