Daar loost iemand uraten!

Guus Middag: Rarewoordenboek. Van bereshit tot zeeajuin. Van Oorschot, 240 blz. €19,90

Wat een verrukkelijk boek! De mooiste Nederlandse uitgave die ik dit jaar zag. Maar ik had de dingen die er in staan lang geleden al gelezen: in het maandblad Onze Taal had Guus Middag die stukken over rare woorden in Nederlandse gedichten tussen 1995 en 2008 gepubliceerd. De vijftig artikelen had ik telkens uit Onze Taal willen knippen en dan leggen in de boeken waar de behandelde woorden in stonden, maar dat heb ik – gelukkig – niet gedaan.

Een recensie mag nooit beginnen met ‘Wat een vurrukkulluk boek!’ Maar die vijftig stukken over gekke woorden in Nederlandse gedichten kan ik niet allemaal gaan bespreken en bejubelen. Ze staan bij alfabetisch gerangschikte woorden, en ‘baai’ staat vooraan. Willem van Toorn was aan de Portugese kust en schreef een gedicht dat eindigt met het woord ‘baai’.

Toevallig was ik daar vorig jaar ook en zag die baai. Guus Middag vindt het fout dat Van Toorn ‘baai’ schreef. Hij zag dat woord niet op de Portugese kaart staan. Maar dat betekent natuurlijk niet dat Van Toorn zich vergiste. Het gaat niet om de Portugese betekenis van baía (vroeger bahia), maar om het Nederlandse woord baai. En dat prachtige ding zagen Van Toorn en ik duidelijk bij Sesimbra.

Wat noem je een baai? In Engeland moet het ding groot zijn, in Portugal klein. Maar wat noem je groot of klein? Was het IJsselmeer een baai? Of het IJmeer of de Roompot? Allemaal niet erg interessant, maar mij leek het geen reden om Willem van Toorn een fout toe te rekenen. Dit is het enige van de vijftig stukken waar ik het niet mee eens ben.

Op Baai volgt het hoofdstuk Behaspelen. Dat woord staat niet in een Nederlands woordenboek. Maar de Nederlandse taal kan, net als de Finse taal, nooit een woordenboek hebben waarin alle woorden die Nederlanders zeggen staan opgesomd. Wij mogen namelijk zo veel woordjes als wij willen aan elkaar klonteren. Portugees en Engels staan dat niet toe, dus Portugezen en Engelsen kunnen hopen dat hun woordenboek elk echt woord bevat. Het voorvoegseltje be- kun je voor veel werkwoorden plakken, en de woordenboekmaker hoeft dat niet steeds opnieuw uit te leggen.

Trouwens: als je naar het woord behaspelen kijkt zou je ook kunnen denken dat het betekent: ‘spelen met je beha’. Beha is een woord dat eigenlijk een afkorting van twee woorden is en ook vaak als ‘b.h.’ wordt opgeschreven, maar waarom zou nooit iemand met zo’n ding kunnen spelen?

Sinds 1941 heb ik heel wat keren moeten horen dat ik, wanneer ik piste, bezig was met het lozen van ‘uraten’. Uraten?

Ja dat woord gebruikte de dichter Scheltema in een sonnet waarin zeven regels eindigen op -aten en de zeven andere op -ier. De rijmplicht maakt dat je soms rare of verkeerde woorden moet gaan gebruiken aan het eind van een versregel. Misschien was die klacht ook de eigenlijke bedoeling van Scheltema’s treinreisvers ‘Voorval’.

De dichter Rob Schouten gebruikt ook uraten als iemand uit een trein pist en hij roept dan ‘Pareau! Daar gaat iemand uraten lozen door het ontslotene portier.’ Pareau was het pseudoniem van Scheltema.

De vreemde gevolgen van het rijm-principe kun je ook vinden in het gesprek dat Ida Gerhardt had met een winterkoninkje, waarbij vraag en antwoord altijd op elkaar rijmden, en waar aan het eind de vogel tegen mevrouw Gerhardt zegt: ‘God zij met u, weggeling’, en zij met rijm moet antwoorden: ‘God zij met u, heggeling’. De woorden weggeling en heggeling, zegt Guus Middag, zijn in geen enkel woordenboek te vinden. Misschien bedoelde dichteres: ‘God zei met u: heggeling’.

Ik heb maar vier woorden genoemd van de vijftig die Middag behandelt. Na Middag heb ik niet meer zulke schitterende stukken over vreemde Nederlandse woorden gelezen, en daarom raad ik u dit boek van harte aan.

    • H. Brandt Corstius