Cursus: hoe voed ik mijn kind op?

Volgens de Kinderombudsman zouden ouders vaker een opvoedcursus moeten volgen, om zo problemen en zelfs mishandeling te voorkomen. Dit lijkt me ergens geen gek idee – we volgen immers cursussen voor een stuk minder belangrijke zaken: we leren trillende Pekinezen in roze angoratruitjes pootjes geven en topmanagers mogen op oermannencursus weer zelf hutten bouwen, vuur maken en proberen een volwassen paard dood te bijten.

Toch moest ik ook denken aan het praktische aspect: zou het mogelijk zijn om één heldere cursus aan te bieden, te midden van al die honderden verschillende opvoedstromingen? De kwestie ‘hoe moet ik mijn kind opvoeden’ lijdt aan hetzelfde probleem als ‘aan welk voedsel ga ik nou weer dood’ – iedere dag brengt weer een nieuw wetenschappelijk inzicht.

Is het beter om een peuter die steeds het vierkante blokje door het ronde gat probeert te duwen toch uitbundig te prijzen voor zijn ‘creatieve out-of-the-box denken’?

Of moet zo’n warmewiegsyndroom juist te allen tijde voorkomen worden, waarna meteen duidelijk wordt gemaakt dat die zijwieltjes een schande voor de familie zijn en écht grote jongens van vier toch heus wel alleen naar de kleuterklas kunnen fietsen.

Ook vraag ik me af of debuterende ouders niet beter voorbereid zouden moeten worden. Volgens mij bestaat er wel een systeem waarin je een paar weken moet zorgen voor een realistische babypop, die er min of meer voor bedoeld is om de kinderwens van naïeve tienermeisjes te vernietigen (dat is zo’n pop die als je hem weer inlevert opeens gedetailleerd kan verlinken dat hij op woensdag 23 juli vijfenhalf uur in een muf ruikende GFT-bak heeft gelegen).

Toch is het wellicht mogelijk om ouders in de toekomst al een paar weken vooraf te laten warmdraaien: ik zie wel een hologramkindcursus voor me. Het geprojecteerde kind gaat altijd met je mee en is als een soort Tamagotchi: je moet het eten geven, aaien en zindelijk maken – alleen kan deze variant zich ook opeens verstoppen, of je proberen te vernederen door middel van ingeprogrammeerde zinnen als ‘heb jij geen vrienden, mama?’

Van tevoren weet je niet wat voor kind je gaat krijgen: misschien heeft het ADHD en begint het in de supermarkt holografisch krijsend over de grond te rollen omdat het geen Spongebobworst krijgt. Misschien is het hoogbegaafd, en vraagt het steeds aan je of je in de bibliotheek het boek van Hannes Olof Gösta Alfvén over anti-materie wilt lenen, en als je dan bedremmeld vraagt hoe je die naam precies spelt, antwoordt-ie slechts met een zucht en zegt tegen niemand in het bijzonder: „Waarom. Wat heb ik toch gedaan om dit te verdienen.”

En als je dan als beginnende ouder drie weken achter elkaar nauwelijks hebt geslapen – dán krijg je de cursus, waarin precies wordt uitgelegd hoe je met frustraties moet omgaan.

Renske de Greef

Lees eerdere columns van Renske de Greef via nrcnext.nl/renske