Was die Verlichting zo demonisch?

J.L. Heldring vraagt zich af of de Verlichting niet een grote vergissing was, vanwege de nadelige gevolgen van het loslaten van God. Maar het is de vraag of dit wel de Verlichting valt aan te rekenen, stelt H.W. von der Dunk.

Het thema ‘Verlichting’ is van een blijvende actualiteit en is dit ook altijd geweest vanaf de Romantiek, die te boek staat als de grote reactie. Wij, westerlingen en Europeanen, worstelen met deze dubbele erfenis, die ons permanent verdeelt en zelfs de eigen geest kan splijten in de beroemde zwei Seelen van Goethe’s Faust.

Vrijwel alle fundamentele historische beschouwingen over Europa belanden nolens volens bij die grote bakermat van de politieke stromingen en ideologieën die sedertdien de mensheid hebben beziggehouden of hoofdpijn bezorgd, als bron van hoop, geloof in de mens en zijn rede of als oorzaak van hybris, maakbaarheidsillusies en zelfoverschatting.

Zo vraagt de onbetwiste nestor van de Nederlandse journalistiek, J.L. Heldring, zich in zijn column af of de Verlichting niet een grote vergissing was, doordat de bevrijding van God – gevolg immers van de aanval op kerk en christelijke dogmata – in de vorige eeuw „demonische krachten” heeft losgemaakt (Opiniepagina, 17 november). Lijkt dit niet bijna op een late rehabilitatie uit wel zeer onverwachte hoek van Groen van Prinsterer, aartsvader van de antirevolutionairen, en zijn boek Ongeloof en revolutie uit 1847? Bolkestein wijt, onder meer in een interview (NRC Handelsblad, 7 september), de hedendaagse perikelen juist aan een afwijking van de ware Verlichting, die volgens Kants beroemde definitie „de bevrijding van de mens uit zijn zelfverschuldigde onmondigheid” inhield. Twee liberalen die zichzelf terecht kinderen van de Verlichting vinden.

De bekende historicus Jonathan Israël vindt in een recent vierdelig werk over ‘de radicale Verlichting’ dan weer niet Kant, maar Diderot, Condorcet en de extreme rationalisten categorisch de enig juiste wegwijzers voor de democratie. Het ging mis juist doordat die rechte weg van de radicalen werd verlaten! De Verlichting leent zich onveranderd voor diverse perspectieven en gevolgtrekkingen voor de wereld van nu.

Daarbij hebben we het allang feitelijk over de tot hanteerbare eenheden ingedikte beelden die beurtelings al het kwaad in de schoenen kan worden geschoven dat in de volgende twee eeuwen is gevolgd.

Moest vooral de Romantiek het ontgelden na de catastrofe van het fascisme, nu staat eerder de erfenis van de Verlichting op de tocht, nu de maatschappij beklemd dreigt te raken tussen chauvinistische populisten en de technocraten van de markt. De zogenaamd ‘linkse’ tijdgeest, die zich beriep op de Verlichtingsbeginselen van 1789, is verdreven door een ‘rechtse’ tijdgeest. Ideologische wereldverbeteraars hebben het veld al lang geruimd voor economisch georiënteerde neoliberalen en de godheid van de Vrije Markt. Multiculturalisme bleek een utopie. Emancipatie heeft geleid tot progressieve verlamming van de democratie.

Dit zijn moeilijk te ontkennen gevolgen van de immense secularisatie en van wat Heldring de verdrijving van God en de opkomst van demonische krachten noemt. De hamvraag is of die krachten – waarbij iedereen denkt aan totalitarisme, massamoorden en ideologische waanideeën – de gevolgen waren van de Verlichting, of eerder van wat Isaiah Berlin de ‘Contraverlichting’ noemt, of van een kruisbestuiving van Verlichting en Romantiek. Bovendien is het de bekende vertekening om te denken dat Europa met een door de kerk verkondigde God het menselijke beest met succes zou hebben bedwongen. Vast staat alleen dat de „emancipatie van hogere krachten” (Heldring) niet de door velen verwachte emancipatie van lagere krachten inhield.

Kunnen we het Verlichtingsoptimisme afdoen als gevaarlijk illusionisme? Had het christendom een realistischer mensbeeld, met zijn dogma van de menselijke zondigheid, waarbij alle hoop was gericht op de genade en het hiernamaals en de aardse ellende moest worden aanvaard met berusting? Coryfeeën van de Verlichting, zoals Voltaire met Candide, hadden bepaald geen hoge dunk van de mens. Die was „uit krom hout gesneden”, volgens Kant. Schiller, met zijn aforisme Die Menge, das ist stets der Unsinn, kan moeilijk een voorstander worden genoemd van onze democratie en van algemeen kiesrecht. Veel Verlichters waren illusieloze realisten, maar hun vooruitgangsgeloof was daarom een onmisbare remedie. Zonder hoop verdort het volk – en niet alleen het volk.

Hier ligt het kernprobleem van een grote geestelijke erfenis. Zoals de leer en vooral de praktijk van de kerk hemelsbreed afweken van wat in de prediking van Jezus kan worden gelezen, leefden de Verlichters in een andere wereld dan wij. Ze hadden andere prioriteiten. God verdween allerminst. Eerder openbaarde hij zich in de kosmos en in menselijke rede en geweten, drang naar vervolmaking en hoop. Dit is iets zeer anders dan de vandaag courante neurologische reductie van alle voorstellingen en denken op fysieke reactieprikkels in een onbegrijpelijk geheel. Dat is het ene. Het andere is dat onze beeldvorming de aspecten uitvergroot die wij direct kunnen betrekken op de actualiteit, losgerukt uit hun tijd en context.

Elke grote geestelijke beweging, zoals ook Verlichting en Romantiek, draagt impulsen en ideeën uit die bij het nageslacht al naar omstandigheden bevrijdend of gruwelijk kunnen uitvallen en een onuitputtelijke bron zijn voor denken en handelen.

H.W. von der Dunk is emeritus hoogleraar algemene geschiedenis aan de Universiteit Utrecht.