Pijnlijk moment

In het Italiaanse restaurant ontstond aan het tafeltje naast mij enige commotie. Er hadden twee vrouwen van in de zestig zitten lunchen, verzonken in een gezapige conversatie. Een van de vrouwen, de kleinste, was naar de toiletten vertrokken en kwam opgewonden teruggekeerd.

„Wat me nou is overkomen”, zei ze luid, terwijl ze met enig misbaar ging zitten. Ze droeg een paars truitje boven een donkere broek en had kortgeknipt, grijs haar. De andere vrouw, kloek en met donker geverfd haar, keek haar nieuwsgierig aan – eindelijk gebeurde er weer eens wat.

„Ik heb bij de wasbakken mijn handen afgedroogd”, zei de kleine vrouw, „en net wat kleingeld uit mijn broekzak gehaald. Ik stond er even helemaal alleen. Komt er een vrouw binnen, die om zich heen kijkt, mij ziet, naar me toeloopt en vraagt: ‘Vindt u het goed als ik straks even betaal?’”

Ze liet de stilte van de gereproduceerde verbouwereerdheid vallen, een bekende vertellerstruc die altijd werkt tenzij je hem te lang laat duren. Deze vrouw had de juiste timing en riep vervolgens ontsteld uit: „Moet je je voorstellen! Ze dacht dat ik de toiletjuffrouw was!”

De vrouw tegenover haar aarzelde zichtbaar met haar reactie. Misschien streed de spontane lach om de voorrang, net als bij mij, maar tegelijkertijd besefte ze dat dit voor haar vriendin een pijnlijk moment moest zijn geweest. Het is een hoogst discriminerende vraag, maar toch moet hij in dit verband gesteld worden: welke vrouw wil graag met een toiletjuffrouw geassocieerd worden?

Het is een nuttig, maar ondankbaar beroep dat bij voorkeur lijkt te worden uitgeoefend door oudere, gezette dames die een lang, gebloemd schort dragen en gezeten zijn achter een tafeltje met een schoteltje en, soms, een schaaltje met snoepjes waarvan ik er nooit een durf te nemen, omdat ik altijd moet denken aan die ene oersterke, kwaadaardige bacterie die uit een van de wc-potten is geklommen en nu tussen het snoepgoed op me ligt te loeren om mij een dodelijke besmetting te bezorgen.

„En toen?” zei de andere vrouw.

De kleine vrouw haalde haar schouders op. „Ik zeg tegen haar: ‘Thuis doe ik mijn best, maar hier maak ik ze niet schoon.’ Die vrouw stond perplex. Ze schrok écht, ik kon het zien, ze schaamde zich. Ze zei: ‘Neem me niet kwalijk, ik nam aan dat u hier werkte, ik zag zo gauw niemand anders…’ Ik stelde haar gerust, geeft niks mevrouw, je kent dat wel. Ondertussen was er een andere vrouw bij de wasbakken gekomen en die stond hartelijk om ons te lachen. Maar voor óns viel er eigenlijk niks te lachen.”

Ze zweeg even, keek haar vriendin strak aan en vroeg: „Zeg eens eerlijk: lijk ik op een toiletjuffrouw?”

De andere vrouw schudde beslist het hoofd. „Welnee, hoe kom je erbij? Het is gewoon een vergissing geweest van die vrouw, zoiets kan ons allemaal overkomen.”

De kleine vrouw leek maar half gerustgesteld. Ze keek om zich heen en wees met haar hoofd in de richting van het raam. „Daar zit ze, die donkere. Met een andere vrouw. Ze zijn zeker twintig jaar jonger dan wij.”

Haar vriendin knikte. „Dure kleren.”

„Als we straks weggaan”, zei de kleine vrouw, „moet jij maar aan de binnenkant gaan lopen, dan hoeven die vrouw en ik niet meer naar elkaar te kijken.”

Dat lukte. Maar toen de twee vrouwen buiten stonden, zag ik de andere vrouw voorzichtig uit het raam kijken naar de vergissing van haar leven.