Onderzoek naar gulden is een middelvinger

Het idee om de gulden te laten terugkeren is volgens Ewald Engelen het logische gevolg van een lange reeks besluiten van politici, waar het volk buiten werd gelaten.

De eurocrisis is te wijten aan grove nalatigheid. Toen het bankroet van Lehman Brothers in september 2008 aantoonde dat banken gigantische balansen op flinterdunne kapitaalbuffers hadden gebouwd, hadden ook banken in Europa moeten worden gedwongen om zich te herkapitaliseren. In plaats hiervan kraaiden Europese leiders dat de kredietcrisis het failliet had aangetoond van het Amerikaanse kapitalisme en de superioriteit van het Europese. Het gevolg is dat Europese banken drie jaar na dato nog altijd leuke bonussen uitkeren, maar een afwaardering op Griekse staatsschulden nauwelijks kunnen absorberen.

Al even nalatig toonden Europese leiders zich bij het bestrijden van het Griekse schuldenprobleem. Met een omvang van 3 procent van de eurozone had het Griekse probleem nooit mogen uitgroeien tot zo’n besmettingshaard. Of, zoals David Miliband het verwoordde, de leiders van de eurozone zijn erin geslaagd om een lokaal probleem van vijftig miljard euro te laten uitgroeien tot een geopolitiek vraagstuk van duizend miljard euro. Foute diagnoses, gemakzuchtige probleemdefinities en ontoereikende analyses hebben geleid tot oplossingen die keer op keer te klein en te laat waren. De leiders van de eurozone hebben elk vertrouwen bij beleggers en analisten in effectief crisismanagement verspeeld.

Nalatig was ook de oplossing van 21 juli 2011. De inkt was nog niet droog of Willem Buiter van Citigroup wees erop dat de leiders van de eurozone hadden verzuimd het Europese reddingsfonds voldoende te verhogen. Het plan bevatte afwaarderingen, nieuwe steun voor Griekenland, een nieuwe stresstest, herkapitalisatie van banken en loze frasen over een Europees Marshallplan, maar geen woord over een vangnet dat groot genoeg was om landen als Italië te beschermen tegen tijdelijke liquiditeitsproblemen.

De erkenning dat dit een verwijtbare nalatigheid was, kwam schoorvoetend op 26 oktober. Toen werd beloofd het noodfonds te verhogen tot duizend miljard euro. Concrete toezeggingen ontbraken. In plaats daarvan werd gegoocheld met derivaten, hefbomen en verzekeringen, om het fonds de schijn te geven van financiële vuurkracht, en werd vertrouwd op de goedgelovigheid van Chinezen om kapitaal te steken in een fonds waarin de lidstaten van de eurozone zelf geen brood zagen. Het fonds, dat als bazooka had moeten dienen, is op sterven na dood.

Afgezien van Frankrijk, dat vreesde voor zijn kredietwaardigheid, konden de lidstaten ook geen extra toezeggingen doen aan het fonds. Daarvoor ontbreekt stomweg het democratische draagvlak. In de woorden van premier Juncker van Luxemburg: „We weten wat we moeten doen om de eurocrisis op te lossen, maar weten niet hoe herkozen te worden als we dat hebben gedaan.” Dat de oplossing van de eurocrisis zo lang op zich laat wachten, komt niet doordat het zo’n onontwarbaar economisch probleem is, maar omdat alle effectieve oplossingen – financiële toezeggingen aan het reddingsfonds, monetaire financiering door de Europese Centrale Bank (ECB), euro-obligaties – onherroepelijk stuiten op het nee van het electoraat.

Het Europese integratieproject is altijd elitair geweest. Traditioneel kon het evenwel rekenen op de stilzwijgende instemming van het merendeel van de kiezers. Dit veranderde toen de Europese integratie in een stroomversnelling raakte, door de Duitse eenwording en het ‘Grote Akkoord’ tussen Bonn en Parijs. Het Duitse gevaar zou onschadelijk worden gemaakt door Duitsland in te kapselen in Europese instituties, waaronder een monetaire unie en een Europese munt. In ruil hiervoor zou de ECB worden gemodelleerd naar de Bundesbank en zou deze in Frankfurt komen te staan. Voor de Britten, de Denen en de Zweden ging dit te ver. De Fransen en de Ieren verwierpen het Verdrag van Maastricht per referendum, om het alsnog door de strot geduwd te krijgen via een parlementaire omweg. In Nederland heeft de bevolking zich nooit kunnen uitspreken over de euro.

Nederland is altijd een van de grootste voorstanders geweest van Europese integratie. Tot 2002 wees een op de zes Nederlanders integratie af. Het percentage dat integratie toejuichte, was geleidelijk gedaald – van 80 procent in 1983 naar 67 procent in mei 2002. Dit veranderde dramatisch na de introductie van de euro. Eind 2003 bedroeg het percentage eurosceptici 34 procent. Slechts iets meer dan helft van de mensen was nog voorstander van integratie.

In 2005 werd het referendum gehouden over het Grondwettelijk Verdrag. In Nederland was dit de eerste kans voor kiezers om zich uit te spreken over Europa. Het werd een aanfluiting. Een ongeïnspireerde campagne (‘Europa. Best belangrijk’), een domme mediastrategie (directeur Henk Brouwer van De Nederlandsche Bank liet daags voor het referendum optekenen dat de gulden was ondergewaardeerd ten opzichte van de euro) en een SP die het Verdrag slim als voertuig van neoliberalisme wist te framen, leverden de sceptici de overwinning op.

Toen een paar dagen later ook de Fransen het Verdrag afwezen, had dat een stevige waarschuwing moeten zijn. In plaats daarvan werden de burgers van Frankrijk en Nederland alsnog een cosmetisch gewijzigd Verdrag ingerommeld.

Door dit gebrek aan democratisch mandaat is de bewegingsvrijheid van Merkel, Sarkozy en Rutte in Brussel uiterst beperkt. Europese besluiten worden eerst en vooral bekeken door de bril van nationale belangen. Regeringsleiders vinden dat ze dit hun kiezers verplicht zijn. Omdat in deze crisis de belangen van de één (Duitsland) zelden parallel lopen aan die van de ander (Frankrijk) zijn de uitkomsten van Europese onderhandelingen keer op keer slappe compromissen, bleke beloftes en besluiten die te laat komen of te klein zijn.

Dat in Duitsland, Nederland en Frankrijk steeds vaker over een afscheid van de euro wordt gesproken hebben Rutte en de zijnen te danken aan zichzelf. Nu het technocratische prestigeproject van de euro in de problemen is gekomen, zien slimme politieke entrepreneurs hun kans schoon om hun machtsbasis te vergroten met onzinnige voorstellen.

Het onderzoek naar de kosten van een terugkeer naar de gulden van de PVV is geen constructieve bijdrage aan de discussie over de eurocrisis, maar dient uitsluitend opportunistische doelen. De partij die haar succes aan hoofddoekjes dankt, tracht met deze noodgreep politiek profiel te verwerven in de economische discussies die al drie jaar de politiek domineren. Door een middelvinger op te steken naar eurofiele technocraten die zich niets aan de wensen van hun kiezers gelegen hebben laten liggen, kan de PVV zich wederom opwerpen als kampioen van de gewone man – met dank aan de politieke elite.

Het zou komisch zijn als het niet zo tragisch was.

Ewald Engelen is hoogleraar financiële geografie aan de Universiteit van Amsterdam. Een langere versie van dit artikel is te vinden op de site mejudice.nl